Innovative Tax op LinkedIn

peak performance
in tax consultancy

 

Terug naar het overzicht:

Actueel

Voortgang procedure over premieplicht van zeevarende Kik werkzaam op onder Panamese vlag varende pijpenlegger

innovative_tax_element

Op 3 mei 2013 hebben wij op onze website een eerste bijdrage geplaatst over deze relevante zaak voor werknemers in de internationale offshore industrie. De uitkomst van deze procedure kan grote gevolgen hebben voor de sociale zekerheidspositie van in Nederland wonende werknemers die internationaal werkzaam zijn op schepen in de offshore industrie.

Belanghebbende X (Kik) woont in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en werkt het gehele jaar 2004 aan boord van een onder Panamese vlag varende zogenaamde pijpenlegger. Het gaat hierbij om een groot zeeschip waarmee pijpen en buizen op de zeebodem kunnen worden neergelegd. Gedurende de periode van 1 januari tot 1 juni was heer Kik in dienst van een Nederlandse werkgever en daarmee voor deze periode verplicht verzekerd op grond van de Nederlandse volksverzekeringen.  Van 1 juni 2004 tot 1 januari 2005 was heer Kik in dienst van een in Zwitserland gevestigde werkgever. In de periode van 1 juni tot en met 24 augustus is heer Kik achtereenvolgens actief op het continentale plat van de VS, in internationale wateren en vervolgens op het Nederlandse, Britse en Nederlandse continentale plat. Kik was vanaf 1 juni 2004 niet sociaal verzekerd in Zwitserland.

Tussen de Belastingdienst en de heer Kik is in geschil of heer Kik in de periode tussen 1 juni en 25 augustus 2004 verzekerings- en premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Belanghebbende Kik stelt op grond van de Verordening (EEG) 1408/71 van niet. Gerechtshof Den Haag bevestigt het oordeel van de inspecteur en Rechtbank van wel. De Hoge Raad besluit tot het stellen van twee prejudiciële vragen nu hij twijfelt of de Verordening 1408/71 in deze situatie alleen van toepassing is op de werkzaamheden van heer Kik boven het continentale plat van een lidstaat of ook gedurende de periode dat heer Kik elders ‘’offshore” werkzaam was buiten het grondgebied van de Europese Unie. Als de Verordening 1408/71 van toepassing is moet  vervolgens de vraag worden beantwoord welke sociale zekerheidswetgeving op Kik van toepassing?

Op 16 oktober 2014 heeft de Advocaat-Generaal (AG) Villalón van het HvJ-EG geconcludeerd over de twee prejudiciële vragen van de Nederlandse Hoge Raad.

AG Villalón concludeert over de eerste prejudiciële vraag dat de Vo 1408/71 gedurende de gehele in geschil zijnde periode (1 juni tot en met 24 augustus 2004) van toepassing is aangezien de arbeidsverhouding van Kik een voldoende nauwe aanknoping heeft met het grondgebied van een lidstaat. Voor een zeevarende gaat het dan om factoren zoals de plaats waar de zeevarende is aangeworven, het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, het feit verzekerd te zijn volgens het sociale zekerheidsstelsel van een lidstaat en de plaats waar loonbelasting wordt betaald. Nu Kik (als inwoner) belasting betaalt in Nederland en of in Nederland of in Zwitserland zijn loonbetaling ontvangt biedt dat volgens de AG een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Europese Unie.

De AG acht bij het bovenstaande het antwoord op de vraag of Kik nu wel of niet op het continentale plat van Nederland en het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt of geheel buiten de Europese Unie werkzaam is geweest niet relevant. Hij is deze mening toegedaan omdat bij het leggen van pijpleidingen op een pijpenlegger geen sprake is van werkzaamheden in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen. Anders dan bij het arrest van het Europese Hof in de zaak Salemink worden de werkzaamheden van Kik op het continentale plat van Nederland en het Verenigd Koninkrijk niet als werkzaamheden op het grondgebied van beide lidstaten aangemerkt.

Het beantwoorden van de tweede prejudiciële vraag, onder welke sociale zekerheidswetgeving zeevarende Kik nu valt lijkt mede zo moeilijk omdat de Verordening 1408/71 géén aanwijsregels heeft voor zeevarenden die werken aan boord van een zeeschip dat vaart onder een niet-Europese (zoals in dit geval: Panamese) vlag.

Uiteindelijk concludeert de A-G dat uitgegaan moet worden van de woonplaats van de werknemer om te bepalen welke wetgeving van toepassing is. In een situatie zoals de onderhavige waarin het tot 1 juni 2004 toepasselijke recht (i.e. het Nederlandse) niet langer van toepassing is en er geen ander sociaal zekerheidsrecht kan worden toegepast, de Vo 1408/71 in de regel uitgaat van de sociale zekerheidswetgeving die in de woonplaats van de werknemer van toepassing is. Dragende gedachte voor deze conclusie is mogelijk dat in specifieke situaties waarbij de verordening geen aanwijsregel bevat de sociale zekerheidswetgeving van de woonstaat van de zeevarende wordt aangewezen.

De AG had als alternatief ook kunnen aansluiten bij eerdere jurisprudentie (het arrest van het Europese Hof in de zaak Aldewereld) en de lidstaat waar de werkgever is gevestigd (Zwitserland) als toepasselijke wetgeving kunnen aanwijzen. Nu echter uit de casus blijkt dat Kik niet verzekerd was in Zwitserland gedurende de relevante periode vormt dat feit onvoldoende grond voor een toewijzing. Onduidelijk was overigens of dat te wijten was aan het feit dat Kik zich in Zwitserland niet had aangemeld of dat Kik niet voldeed aan de voorwaarden om in Zwitserland verzekerd te zijn.

Conclusie

Naar de mening van de AG blijft Kik, als inwoner van Nederland, ook vanaf 1 juni 2004 onderworpen aan de Nederlandse sociale verzekeringen. Wanneer het Europese Hof het bovenstaande advies volgt heeft dat de nodige consequenties voor zeevarenden in de offshore industrie aangezien de hier besproken situatie in de praktijk vaak voorkomt en de zeevarenden vaak niet onderworpen zijn aan de Nederlandse sociale verzekeringen.

Of het Europese Hof het advies daadwerkelijk opvolgt moet worden afgewacht aangezien ook een andere uitkomst in deze zaak voorstelbaar is. Op basis van het arrest Aldewereld zou bijvoorbeeld kunnen worden geconcludeerd dat Kik valt onder de sociale zekerheidswetgeving van Zwitserland aangezien zijn werkgever daar is gevestigd.

Voor nu is ons advies de uitspraak van het Europese Hof en vervolgens de Hoge Raad af te wachten. Het is lastig om aan te geven hoeveel geduld hiervoor nog nodig is.

Wanneer u vragen heeft over deze problematiek adviseren wij u even contact op te nemen met Erik Jansen (024 – 7600.136) of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Nijmegen,  
18 februari 2015

 

 


  

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN

van 16 oktober 2014 (1)


Zaak C 266/13
L. Kik

(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)

„Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Werknemer die aan boord van een pijpenlegger in internationale wateren en op het continentaal plat van twee lidstaten werkt – Verzekeringsplicht – Toepasselijke nationale wetgeving”

 

  1. Wederom dient het Hof zich uit te spreken over de in verordening nr. 1408/71(2) opgenomen regels tot aanwijzing van de toepasselijke wetgeving, ditmaal naar aanleiding van een zaak waarin ook weer de vraag rijst naar de juridische status van het continentaal plat en de zin en reikwijdte van het feit dat de soevereiniteit van de lidstaten functioneel wordt uitgebreid tot het continentaal plat. Het werkelijke belang van de onderhavige zaak is evenwel gelegen in de schijnbare moeilijkheid om die verordening toe te passen op een feitencomplex dat zich naar mening van partijen slechts verdraagt met een toepassing naar analogie. Ik zal echter trachten aan te tonen dat de verordening zelf de oplossing al geeft.


I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Volkenrecht

  1. Het op 10 december 1982 te Montego Bay (Jamaica) ondertekende Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat op 16 november 1994 in werking is getreden, is op 28 juni 1996 door het Koninkrijk der Nederlanden geratificeerd en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998.(3)

  2. Artikel 60 van dat verdrag, met het opschrift „Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen in de exclusieve economische zone”, bepaalt:
  • „1.  In de exclusieve economische zone heeft de kuststaat het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van:
    1. kunstmatige eilanden;
    2. installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;
    3. installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.
  1. De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie.
    [...]”

 

  1. Artikel 77 van dat verdrag, met het opschrift „Rechten van de kuststaat op het continentale plat”, bepaalt:

  • „1. De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.
  • 2. De in lid 1 bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.
  • 3. De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.
  • [...]”

 

  1. Artikel 79 van dat verdrag, met het opschrift „Onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat”, luidt als volgt:
  • „1  „Alle staten zijn gerechtigd onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat te leggen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  • 2.  Onder voorbehoud van zijn recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door pijpleidingen, mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van onderzeese kabels of pijpleidingen niet belemmeren.
  • 3. Het tracé van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, is onderworpen aan de toestemming van de kuststaat.
  • 4. Niets in dit deel doet afbreuk aan het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied of territoriale zee binnenkomen, of aan zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden.
  • [...]”

 

  1. Volgens artikel 80 van dat verdrag („Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat”) „[is] [a]rtikel 60 [...] mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat”.


B –    Unierecht

  • 7. Voor de onderhavige zaak zijn onderstaande overwegingen van de considerans van verordening nr. 1408/71 relevant:
  • „Overwegende dat de voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden;
  • [...]
  • Overwegende dat, gezien de belangrijke verschillen welke tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot hun personele werkingssfeer bestaan, er de voorkeur moet aan worden gegeven uit te gaan van het beginsel dat de verordening van toepassing is op alle personen die verzekerd zijn krachtens de voor loontrekkenden en zelfstandigen getroffen regelingen inzake sociale zekerheid of uit hoofde van de uitoefening van een werkzaamheid als loontrekkende of zelfstandige;
  • Overwegende dat de eigen kenmerken van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid moeten worden gerespecteerd en dat er enkel een coördinatiemethode moet worden uitgewerkt;
  • [...]
  • Overwegende dat de werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen moeten zijn, om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden;
  • [...]
  • Overwegende dat de gelijke behandeling van alle werknemers die op het grondgebied van een lidstaat werken het best gegarandeerd wordt door, als algemene regel, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon zijn beroepswerkzaamheden als loontrekkende of zelfstandige uitoefent als toepasbare wetgeving aan te wijzen;
  • Overwegende dat er in specifieke situaties die een ander aanknopingscriterium rechtvaardigen, van deze algemene regel kan worden afgeweken;
  • [...]”

 

  1. Artikel 1 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Definities”, bepaalt:

    „Voor de toepassing van deze verordening:
  1. wordt onder ,werknemer’ en onder ,zelfstandige’ respectievelijk verstaan ieder:
  • i) die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers of zelfstandigen of tot een bijzonder stelsel voor ambtenaren;
    [...]”
  1. Artikel 2, „Personele werkingssfeer”, bepaalt in lid 1:
  • „Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”

 

  1. Titel II van de verordening, met het opschrift „Vaststelling van de toe te passen wetgeving”, begint met artikel 13 („Algemene regels”), dat luidt als volgt:

  • „1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
  • 2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17: 
  • a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;
  • [...]
  • c) is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die staat van toepassing;
  • [...]
  • f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”



  1. Artikel 14 van verordening nr. 1408/71 („Bijzondere regels voor personen in loondienst, met uitzondering van zeelieden”) bepaalt:
  • „Ten aanzien van de toepassing van de in artikel 13, lid 2, sub a, neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden:
  • [...]
  • 2) Op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, wordt de toepasselijke wetgeving als volgt vastgesteld:
  • a)  op degene die behoort tot het rijdend, varend of vliegend personeel van een onderneming welke voor rekening van anderen of voor eigen rekening internationaal vervoer van personen of goederen per spoor, over de weg, door de lucht of over de binnenwateren verricht en op het grondgebied van een lidstaat haar zetel heeft, is de wetgeving van laatstbedoelde staat van toepassing. Niettemin:

i) is op degene die werkzaam is bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging welke die onderneming heeft op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zij haar zetel heeft, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich dat filiaal of die vaste vertegenwoordiging bevindt, van toepassing;

ii) is op degene die in hoofdzaak werkzaam is op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien de onderneming waarbij hij werkzaam is, noch haar zetel, noch een filiaal, noch een vaste vertegenwoordiging op dit grondgebied heeft;

  • b)      op andere personen dan die bedoeld sub a is van toepassing:

i) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen of indien zij verbonden zijn aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende lidstaten hebben;

ii) de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich bevindt, indien zij niet wonen op het grondgebied van een der staten waar zij hun werkzaamheden uitoefenen.

  • [...]”
  1. Artikel 14 ter („Bijzondere regels voor zeelieden”) bepaalt:


„Ten aanzien van de in artikel 13, lid 2, sub c, neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden:
[...]
4) Op degene die werkzaamheden in loondienst uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt beloond door een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn domicilie op het grondgebied van een andere lidstaat heeft, is de wetgeving van laatstbedoelde staat van toepassing, indien hij zijn woonplaats op het grondgebied van die staat heeft; de onderneming of degene die het loon betaalt, wordt voor de toepassing van genoemde wetgeving als werkgever aangemerkt.” 

 

  1. De bewoordingen van artikel 15 van de verordening („Regels betreffende de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering”) luiden:

„1. De artikelen 13 tot en met 14 quinquies zijn niet van toepassing op de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering, tenzij voor één van de in artikel 4 bedoelde takken van sociale zekerheid in een lidstaat slechts een stelsel van vrijwillige verzekering bestaat.
2. Ingeval de toepassing van de wetgevingen van twee of meer lidstaten leidt tot gelijktijdige aansluiting:

– bij een stelsel van verplichte verzekering en bij één of meer stelsels van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, is op de betrokkene uitsluitend het stelsel van verplichte verzekering van toepassing;
[...]”

 


C –    Overeenkomst met de Zwitserse Bondsstaat

 

14. Artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland(4) luidt als volgt:
„De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op:

    1. gelijke behandeling;
    2. vaststelling van de toepasselijke wetgeving;
    3. cumulatie van de perioden die volgens de verschillende nationale wetgevingen bepalend zijn voor het verkrijgen en behouden van het recht op uitkeringen en voor het berekenen van deze uitkeringen;
    4. betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven;
    5. wederzijdse administratieve bijstand en samenwerking tussen de autoriteiten en de instellingen.”

 

15. Artikel 1 van bijlage II bij de Overeenkomst EG-Zwitserland luidt:

 

„1. De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de communautaire besluiten toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij [deel] A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.

2. In de in [deel A van] deze bijlage genoemde besluiten omvat de uitdrukking ,lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende communautaire besluiten, maar tevens Zwitserland.”

 

16. Deel A van bijlage II vermeldt verordening nr. 1408/71, welke verordening is vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004(5), die van toepassing is sinds 1 mei 2010. Bijlage II bij de Overeenkomst EG-Zwitserland is bijgewerkt door besluit nr. 1/2012 van het krachtens voornoemde overeenkomst ingestelde Gemengd Comité(6), welk besluit op 1 april 2012 in werking is getreden. De nieuwe versie van bijlage II verwijst naar verordening nr. 883/2004. Overeenkomstig artikel 90, lid 2, van verordening nr. 883/2004 en bijlage II, deel A, punt 3, bij de Overeenkomst EG-Zwitserland, zoals gewijzigd, vallen feiten die hebben plaatsgevonden vóór 1 april 2012, evenwel onder verordening nr. 1408/71.

 

D –    Nederlands recht

 

  1. Blijkens het verwijzingsarrest zijn volgens de hoofdregel van de Nederlandse volksverzekeringswetten ingezetenen van Nederland verplicht verzekerd en premieplichtig voor de in die wetten voorziene verzekeringen. Op grond van artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 is een persoon die in Nederland woont bij wege van uitzondering niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, indien hij gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
  2. In het Besluit verzekeringsplicht zeevarenden is vastgelegd dat indien een zeevarende woonachtig is in een der lidstaten en werkzaam is voor een Nederlandse werkgever op een schip dat vaart onder een vlag welke niet behoort tot een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, de Nederlandse wetgeving inzake de werknemersverzekering van toepassing wordt verklaard.

II – Feiten

  1. De aanleiding voor het prejudiciële verzoek is gelegen in het geschil tussen de Nederlandse belastingdienst en L. Kik, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, woonachtig in Nederland en werkzaam voor een Zwitserse onderneming op een onder Panamese vlag varende pijpenlegger. Tot en met 31 mei 2004 werkte Kik in Nederland (en was hij verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen). In de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 werkte hij achtereenvolgens op het continentaal plat van de Verenigde Staten, in internationale wateren en op het Nederlandse, het Britse en wederom het Nederlandse deel van het continentaal plat.
  2. In geschil is of Kik in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen.
  3. Volgens de nationale rechter (in eerste aanleg en in hoger beroep) was dat het geval, aangezien naar nationaal recht ingezetenen van Nederland verplicht verzekerd en premieplichtig zijn voor de desbetreffende verzekeringen.
  4. Kik is in cassatie gegaan bij de Hoge Raad der Nederlanden, die het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend. 


III – Prejudiciële vragen


23. De op 15 mei 2013 ingediende prejudiciële vragen luiden als volgt:

„1)  a)      Moeten de regels over de personele werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 en de regels die de territoriale reikwijdte van de aanwijzingsregels in titel II van die verordening bepalen aldus worden uitgelegd, dat deze aanwijzingsregels van toepassing zijn in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om (a) een in Nederland wonende werknemer die (b) de Nederlandse nationaliteit heeft, (c) in ieder geval voorheen in Nederland verplicht verzekerd is geweest, (d) als zeevarende werkzaam is in dienst van een in Zwitserland gevestigde werkgever, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een pijpenlegger die vaart onder Panamese vlag, en (f) deze werkzaamheden eerst verricht buiten het grondgebied van de Unie (ongeveer 3 weken boven het continentaal plat van de Verenigde Staten en ongeveer 2 weken in internationale wateren) en vervolgens boven het continentaal plat van Nederland (perioden van een maand en ongeveer een week) en van het Verenigd Koninkrijk (een periode van ruim een week), terwijl (g) de daarmee verworven inkomsten zijn onderworpen aan heffing van Nederlandse inkomstenbelasting?


1)  b)      Zo ja, is verordening (EEG) nr. 1408/71 dan alleen van toepassing gedurende de dagen waarop de betrokkene werkzaam is boven het continentaal plat van een lidstaat van de Unie, of ook gedurende de daaraan voorafgaande periode waarin hij elders werkzaam was buiten het grondgebied van de Unie?


2) Indien verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing is op een werknemer als bedoeld in vraag 1a, welke wetgeving of wetgevingen wijst die verordening dan als toepasselijk aan?” 

 

IV – Procesverloop voor het Hof

  1. Kik, de Nederlandse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en deelgenomen aan de terechtzitting van 3 juli 2014, waar zij op verzoek van het Hof hun pleidooien in het bijzonder hebben toegespitst op de tweede vraag van de Hoge Raad. 


V –    Pleidooien


A –    Eerste vraag

 

  1. Alle partijen zijn van mening dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is in het onderhavige geval. Meer specifiek meent de Nederlandse regering dat de verordening van toepassing is op de gehele betrokken periode.


B –    Tweede vraag

 

  1. Kik en de Commissie stellen zich op het standpunt dat volgens de in de zaak Aldewereld(7) ontwikkelde rechtspraak de staat waar de werkgever is gevestigd, dus de Zwitserse Bondsstaat, bevoegd is in het onderhavige geval.
  2. Volgens de Nederlandse regering is krachtens de artikelen 13, lid 2, sub f, en 14, lid 2, sub b i, van verordening nr. 1408/71 de woonstaat van de werknemer bevoegd.


VI – Beoordeling

 

  1. De Hoge Raad wenst van het Hof te vernemen of in een geval als dat van het hoofdgeding verordening nr. 1408/71 van toepassing is en zo ja, welke nationale wetgeving dan toepasselijk is volgens de aanwijzingsregels van deze verordening, aangezien de aanwijzingsregels naar mening van zowel de Hoge Raad als partijen niet specifiek zien op een geval als het onderhavige.
  2. Voor de beantwoording van de vragen dient nader te worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het onderhavige geval.
    A –    Arbeidsverhouding van Kik gedurende de periode waar de prejudiciële vragen betrekking op hebben
  3. Kik is Nederlander en woont in Nederland. Tot en met 31 mei 2004 werkte hij voor een in Nederland gevestigde onderneming en was hij in deze lidstaat verplicht verzekerd.
  4. Sinds 1 juni 2004 is hij als zeevarende werkzaam bij een Zwitserse onderneming en werkt hij op een schip dat vaart onder Panamese vlag. Of hij sindsdien verzekerd was in Zwitserland is niet bekend, maar vaststaat wel dat hij vanaf 25 augustus 2004 niet meer verplicht verzekerd was in Nederland, aangezien volgens de Nederlandse wetgeving de verzekeringsplicht in Nederland vervalt zodra een persoon langer dan drie maanden aaneengesloten buiten Nederland heeft gewerkt voor een niet in Nederland gevestigde werkgever. Voorts blijkt dat Kik steeds belasting heeft betaald in Nederland.
  5. De in geding zijnde periode loopt van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004. In die periode werkte Kik: a) drie weken op het continentaal plat van de Verenigde Staten; b) twee weken in internationale wateren; c) een maand en een week op het continentaal plat van Nederland; d) een week op het continentaal plat van het Verenigd Koninkrijk.
  6. Gedurende de drie in geding zijnde maanden heeft Kik dus een maand en een week op het continentaal plat van Nederland gewerkt. Daarnaast is hij een week werkzaam geweest op het continentaal plat van het Verenigd Koninkrijk, zodat hij gedurende de drie litigieuze maanden in totaal vijf weken geheel buiten het grondgebied van de Unie heeft gewerkt (in internationale wateren en op het continentaal plat van een derde land). Anders gezegd, hij heeft gedurende meer dan de helft van de in geding zijnde periode gewerkt op het continentaal plat van een lidstaat.(8)

 

B –    Eerste vraag

 

  1. De verwijzende rechter wenst allereerst te vernemen of in het onderhavige geval verordening nr. 1408/71 van toepassing is en zo ja, of zij dan alleen van toepassing is gedurende de dagen waarop Kik werkzaam is geweest op het continentaal plat van een lidstaat, of ook gedurende de periode waarin hij buiten het grondgebied van de Unie heeft gewerkt.
  2. Net als alle partijen ben ik van mening dat er geen twijfel bestaat over de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71, aangezien artikel 2, lid 1, van deze verordening bepaalt dat zij „van toepassing [is] op werknemers [...] op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten [...] zijn”. In dit geval was Kik tot en met 24 augustus 2004 verzekerd voor de volksverzekeringen in Nederland en is de vraag of hij vanaf 1 juni 2004 eigenlijk had moeten worden onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat of staat die gelijk kan worden gesteld met een lidstaat, zodat een beroep moet worden gedaan op de aanwijzingsregels van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 om te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is.
  3. Mijns inziens is het duidelijk of de arbeid die Kik heeft verricht op het continentaal plat van Nederland en het Verenigd Koninkrijk al dan niet moet worden aangemerkt als op het grondgebied van de Unie verrichte arbeid. Volgens de door het Hof in het arrest van 17 januari 2012, Salemink, ontwikkelde rechtspraak(9) behoort het continentaal plat van een lidstaat functioneel tot diens soevereine grondgebied en wordt de op het continentaal plat verrichte arbeid aangemerkt als arbeid die is verricht op het grondgebied van de lidstaat, zodat die arbeid niet kan worden onttrokken aan de toepassing van het Unierecht. Volgens het Hof geldt dit wanneer sprake is van arbeid die wordt verricht „op het continentaal plat [...] in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen”.(10) In dit geval was Kik werkzaam aan boord van een pijpenlegger boven het continentaal plat van de Unie en verrichtte hij dus arbeid die in beginsel niet kan worden aangemerkt als „exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het continentaal plat”.
  4. Het continentaal plat van een staat valt in zekere zin echter ook onder diens soevereiniteit wanneer op het continentaal plat onderzeese kabels en pijpleidingen worden gelegd, aangezien volgens artikel 79, lid 3, van het Verdrag inzake het recht van de zee „[h]et tracé van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, [...] onderworpen [is] aan de toestemming van de kuststaat” en volgens artikel 79, lid 4, geen sprake mag zijn van afbreuk aan „het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied [...] binnenkomen” en „zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden”.
  5. Dit – als het ware – beperkte spoor van soevereiniteit, dat door het Verdrag inzake het recht van de zee wordt gegarandeerd, kan op het eerste gezicht voldoende zijn om te concluderen dat het continentaal plat ook in dit geval functioneel en beperkt behoort tot het grondgebied van de Unie. In het arrest Salemink was echter sprake van een noodzakelijk verband tussen het voordeel dat wordt getrokken „uit de economische voorrechten van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op het tot [een] lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat” en de onmogelijkheid zich te „onttrekken aan de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen die het vrije verkeer waarborgen van werknemers die hun beroepsactiviteit uitoefenen op dergelijke installaties”.(11) Duidelijk lijkt dus dat de kustlidstaat slechts functionele soevereiniteit over het continentaal plat heeft wanneer op het continentaal plat exploratie en/of exploitatie plaatsvindt en er daarvoor werknemers vereist zijn, maar niet wanneer het continentaal plat alleen de plaats is waar andere werkzaamheden dan exploratie en/of exploitatie worden verricht waarvoor de kuststaat slechts al dan niet zijn toestemming kan verlenen, en die werkzaamheden geen arbeid vereisen.
  6. Het voorgaande is echter irrelevant voor de onderhavige zaak omdat verordening nr. 1408/71 volgens mij ook van toepassing is indien aangenomen wordt dat Kik gedurende de gehele in geding zijnde periode buiten het grondgebied van de Unie heeft gewerkt.
  7. Volgens vaste rechtspraak is die omstandigheid immers irrelevant wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping heeft met het grondgebied van een lidstaat.(12) Het Hof heeft verklaard dat in het geval van een werknemer die op een schip werkt, als een dergelijke aanknoping kunnen worden aangemerkt de plaats waar de werknemer is aangeworven, het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, het feit verzekerd te zijn uit hoofde van een sociaalverzekeringsstelsel en de plaats waar loonbelasting wordt betaald.(13) In het onderhavige geval is er sinds Kik belasting betaalt in Nederland en – volgens de opmerkingen van de Nederlandse regering(14) – ofwel in Nederland ofwel in Zwitserland zijn loonbetaling ontvangt, naar mijn mening een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie zodat, nu Kik geen gegevens heeft verstrekt die tot een andere conclusie leiden, aangenomen mag worden dat de wetgeving van een van die staten van toepassing is op de arbeidsovereenkomst.
  8. Als eerste tussenconclusie geef ik het Hof dus in overweging de eerste vraag van de Hoge Raad aldus te beantwoorden dat in het onderhavige geval verordening nr. 1408/71 van toepassing is gedurende de gehele in geding zijnde periode, dus van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004. 


C –    Tweede vraag

 

  1. Thans dient te worden nagegaan welke wetgeving volgens verordening nr. 1408/71 van toepassing is op een werknemer in een situatie als die van Kik gedurende de in het hoofdgeding in geding zijnde periode.
  2. De moeilijkheid van deze vraag is gelegen in het feit dat verordening nr. 1408/71 geen specifieke aanwijzingsregels lijkt te bevatten voor een geval als het onderhavige. Bekeken moet dus worden of die eerste indruk ook bevestigd wordt.
  3. Van de verschillende gevallen die worden genoemd in titel II („Vaststelling van de toe te passen wetgeving”; artikelen 13 tot en met 17 bis) van verordening nr. 1408/71, zijn alleen de in artikel 13 („Algemene regels”) en artikel 14 ter („Bijzondere regels voor zeelieden”) opgenomen gevallen relevant in het onderhavige geval.(15) Daarvan sluiten mijns inziens niet bij de situatie van Kik aan, de situatie van:

 

    1. degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent (artikel 13, lid 2, sub a), in welk geval de wetgeving van die lidstaat van toepassing is, nu Kik, zoals reeds is aangegeven, niet werkzaam is op het grondgebied van een lidstaat, dan wel – indien aangenomen wordt dat het continentaal plat van een lidstaat aangemerkt moet worden als grondgebied van de Unie – niet in één enkele lidstaat, maar in twee lidstaten (Nederland en Verenigd Koninkrijk) heeft gewerkt;
    2. degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent (artikel 13, lid 2, sub b), in welk geval de wetgeving van die lidstaat van toepassing is, nu Kik in loondienst werkt en dus duidelijk niet voldoet aan die omschrijving;
    3. degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart (artikel 13, lid 2, sub c), in welk geval de wetgeving van die lidstaat van toepassing is, nu Kik op een Panamees schip werkt en dus ook van dit geval geen sprake is;
    4. ambtenaren en met hen gelijkgestelden (artikel 13, lid 2, sub d);
    5. degene die wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst (artikel 13, lid 2, sub e);
    6. degene die werkzaamheden in loondienst uitoefent voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, hetzij op het grondgebied van een lidstaat, hetzij aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, en die door deze onderneming wordt gedetacheerd om voor haar rekening arbeid te verrichten aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een andere lidstaat vaart (artikel 14 ter, punt 1), in welk geval de wetgeving van de eerste lidstaat van toepassing is, hetgeen – duidelijk – evenmin het geval is nu niet blijkt dat Kik „normaal verbonden is” aan zijn Zwitserse werkgever en nu hij – om de reeds aangegeven redenen – niet op het grondgebied van de Unie of op een onder de vlag van een lidstaat varend schip heeft gewerkt;
    7. degene die gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, hetzij op het grondgebied van een lidstaat, hetzij aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart (artikel 14 ter, punt 2), aan welke voorwaarden niet is voldaan in het onderhavige geval;
    8. degene die arbeid verricht in de territoriale wateren of een haven van een lidstaat (artikel 14 ter, punt 3), nu Kik op geen van beide plaatsen heeft gewerkt;
    9. degene die werkzaamheden in loondienst uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt beloond door een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn domicilie op het grondgebied van een andere lidstaat heeft (artikel 14 ter, punt 4), in welk geval de wetgeving van de tweede lidstaat van toepassing is indien de werknemer in die lidstaat woont. Kik werkt op een Panamees schip, zodat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde.

 

 

  1. Gelet op de onmogelijkheid om gebruik te maken van de oplossingen die in de voorgaande gevallen worden geboden, kan worden overwogen artikel 14 van de verordening naar analogie toe te passen. Zo stelt de Nederlandse regering een analoge toepassing voor van artikel 14, lid 2, sub b, dat ziet op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen en niet behoort tot het rijdend, varend of vliegend personeel van een onderneming welke internationaal vervoer verricht.
  2. Een analoge toepassing zou uiteraard een te rechtvaardigen oplossing zijn wanneer aan de hand van de bepalingen die direct van toepassing zijn op zeelieden, zoals Kik, niet kan worden vastgesteld welke wetgeving van toepassing is.
  3. Evenwel is er een bepaling van de verordening, waar de Nederlandse regering op een bepaald moment naar verwijst, die een oplossing naar analogie overbodig maakt. Het betreft artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt dat „[...] op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels [...] aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen”. De toepassing van deze bepaling op het onderhavige geval is ter terechtzitting ter sprake gebracht, en verdraagt zich naar mijn mening geheel met de situatie van Kik.
  4. Zoals blijkt en door niemand ter discussie is gesteld, was Kik immers aan de Nederlandse wetgeving onderworpen tot en met 31 mei 2004. Na die datum was deze wetgeving in beginsel niet langer van toepassing op hem nu geen van de in verordening nr. 1408/71 genoemde en hierboven besproken regels leidt tot toepassing van het Nederlandse recht. Uit die regels volgt echter evenmin noodzakelijkerwijs dat het recht van een andere lidstaat wordt toegepast, aangezien geen enkele situatie van toepassing is op de arbeidsverhouding van Kik.
  5. In een dergelijk geval waarin het tot dan toepasselijke recht niet langer van toepassing is en er geen ander recht kan worden toegepast – dit is precies het geval dat in artikel 13, lid 2, sub f, wordt omschreven – wordt in verordening nr. 1408/71 in de regel uitgegaan van de woonplaats van de werknemer om te bepalen welke wetgeving van toepassing is. Op grond daarvan is Kik, die in Nederland woont, nog steeds onderworpen aan de wetgeving van deze lidstaat.
  6. Weliswaar volgt uit het begin van de bepaling („degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat”) intuïtief dat dit er moeilijk toe kan leiden dat juist de wetgeving wordt toegepast die ophoudt van toepassing te zijn. Anders gezegd, als de Nederlandse wetgeving na 31 mei 2004 niet meer van toepassing is op de situatie van Kik, dan kan het vreemd lijken dat verordening nr. 1408/71 leidt tot toepassing van die wetgeving, welke juist door de verordening ophoudt van toepassing te zijn.
  7. Evenwel gaat het bij de toepassing van dezelfde wetgeving – namelijk de Nederlandse, die na 31 mei 2004 niet meer van toepassing is en vervolgens weer van toepassing wordt door verordening nr. 1408/71 – om twee verschillende rechtsgronden die ertoe leiden dat deze wetgeving achtereenvolgens niet van toepassing en verplicht van toepassing is.
  8. Het Nederlandse recht was immers van toepassing tot en met 31 mei 2004 omdat Kik tot die datum werkte voor een in Nederland gevestigde onderneming, in welk land hij ook woonde en belasting betaalde. Overeenkomstig het Nederlandse recht was de Nederlandse wetgeving niet langer van toepassing vanaf het moment waarop Kik langer dan drie maanden aaneengesloten buiten Nederland had gewerkt voor een in Zwitserland gevestigde werkgever. Zodra is voldaan aan de in artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 opgenomen voorwaarde dat sprake moet zijn van een persoon „die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat” („zonder dat hij [...] aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen”), is de factor die volgens dit artikel bepalend is voor het vaststellen van het toepasselijke recht, dus de woonplaats van de werknemer. Toevalligerwijs leidt deze factor in dit geval weer naar het Nederlandse recht, dus naar hetzelfde recht waarvan de niet-toepasselijkheid ertoe had geleid dat naar een andere toepasselijke wetgeving moest worden gezocht. Hoewel het materieel gaat om hetzelfde recht, berust de toepasselijkheid ervan op twee verschillende rechtsgronden. Nederlands recht was niet langer van toepassing toen de arbeidsverhouding van Kik wijzigde (1 juni 2004) en werd opnieuw van toepassing ingevolge de regel tot aanwijzing van het toepasselijke recht die in verordening nr. 1408/71 is opgenomen voor het geval waarin Kik verkeerde na 31 mei 2004. Eerst was het Nederlandse recht van toepassing omdat Kik in Nederland woonde en daar werkte bij een in die lidstaat gevestigde onderneming. Vervolgens was dit recht van toepassing omdat het niet langer van toepassing was doordat de arbeidsverhouding was gewijzigd, maar het het recht van zijn woonplaats betrof.
  9. Ik meen dus dat artikel 13, lid 2, sub f, direct en primair het antwoord bevat op de vraag welk recht van toepassing is en dat geen beroep hoeft te worden gedaan op een analoge toepassing van bepalingen van verordening nr. 1408/71 die niet zijn bedoeld voor een geval als het onderhavige.
  10. Als tweede tussenconclusie geef ik het Hof dus in overweging de tweede vraag aldus te beantwoorden dat ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 de Nederlandse wetgeving van toepassing is op Kik omdat hij in Nederland woont.


VII – Conclusie

 

  1. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
    „1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, is in een geval als dat van het hoofdgeding van toepassing gedurende de gehele in geding zijnde periode.

    2) Ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 is de wetgeving die van toepassing is op een werknemer in een geval als dat van het hoofdgeding, die van de lidstaat waar de werknemer woont.” 


________________________________________
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
________________________________________
2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998 (PB L 209, blz. 1) en verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 (PB L 38, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).
________________________________________
3 – PB L 179, blz. 1.
________________________________________
4 – Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 (PB L 114, blz. 1; hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland”).
________________________________________
5 –      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1).
________________________________________
6 – Besluit van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 tot vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 103, blz. 51).
________________________________________
7 – C 60/93, EU:C:1994:271.
________________________________________
8 – In de periode van 25 augustus 2004 tot en met 31 december 2004 heeft Kik niet in Nederland gewerkt en is hij slechts achttien dagen werkzaam geweest op het grondgebied van een lidstaat. Gedurende die periode heeft hij (voor dezelfde Zwitserse werkgever) arbeid verricht op de volgende plaatsen: a) van 25 augustus tot en met 14 september: drie dagen in internationale wateren en achttien dagen op het continentaal plat van Spanje; b) van 21 oktober tot en met 17 november: zeven dagen in internationale wateren en eenentwintig dagen in de territoriale wateren van Australië, en c) van 15 december tot en met 31 december: zeventien dagen in de territoriale wateren van Australië.
________________________________________
9 – Zaak C 347/10 (EU:C:2012:17), punten 35 37.
________________________________________
10 – Arrest Salemink, punt 35.
________________________________________
11 – Arrest Salemink, punt 36.
________________________________________
12 – In die zin onder meer arrest Prodest (237/83, EU:C:1984:277), punt 6.
________________________________________
13 – Arrest Lopes da Veiga (9/88, EU:C:1989:346), punt 17.
________________________________________
14 – Punt 27 van haar schriftelijke opmerkingen.
________________________________________
15 – De artikelen 14 en 14 bis („Bijzondere regels voor personen [...], met uitzondering van zeelieden”), artikel 14 quater („Bijzondere regels voor personen die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst [...] uitoefenen”), artikel 14 quinquies („Diverse bepalingen”, die betrekking hebben op in de artikelen 14, 14 bis en 14 quater genoemde gevallen en op het geval van de pensioen  of rentetrekker), de artikelen 14 sexies en 14 septies („Bijzondere regels voor [...] ambtenaren [...]”), artikel 15 („Regels betreffende de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering”), artikel 16 („Bijzondere regels inzake het bediende personeel van diplomatieke zendingen [...]”), artikel 17 („Uitzonderingen [...]”, door lidstaten vastgesteld in onderlinge overeenstemming) en artikel 17 bis („Bijzondere regels inzake personen die recht hebben op pensioen(en) of rente(n) [...]”) zijn kennelijk niet van toepassing op de situatie van Kik.

 

 

 

 

Terug

Cookies maken het voor ons gemakkelijker om u onze diensten te leveren. Met het gebruik van onze diensten geeft u ons toestemming om cookies te gebruiken.
Meer informatie Ok