peak performance
in tax consultancy

 

Belastingverdrag Cyprus

innovative_tax

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden [...] voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, Nicosia, 01-06-2021

[Regeling treedt in werking op nader te bepalen tijdstip.]

 

Geldend van 01-06-2021 t/m heden

 

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting

 

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

 

en

 

de Regering van de Republiek Cyprus,

 

Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,

 

Voornemens een Verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-constructies die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),

 

Zijn het volgende overeengekomen:

 

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG

 

Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is

 

  1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.

 

  1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat.

 

  1. In geen geval mogen de bepalingen van het tweede lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten.

 

Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is

 

  1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.

 

  1. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar inkomensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

 

  1. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
  2. in het Europese deel van Nederland:

 

  1. de inkomstenbelasting;
  2. de loonbelasting;

                  iii.      de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;

  1. de dividendbelasting; en

 

in het Caribische deel van Nederland:

 

  1. de inkomstenbelasting;
  2. de loonbelasting;

                  iii.      de vastgoedbelasting;

  1. de opbrengstbelasting;
  2. het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet BES, het Mijnbesluit BES of de Petroleumwet Saba Bank BES;

 

(hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);

  1. op Cyprus:

 

  1. de inkomstenbelasting;
  2. de vennootschapsbelasting;

                  iii.      de bijzondere bijdrage voor de verdediging van de Republiek; en

  1. de vermogenswinstbelasting;

 

(hierna te noemen: „Cypriotische belasting”).

 

  1. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast, of in de plaats van, de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten stellen elkaar in kennis van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgeving zijn aangebracht.

 

HOOFDSTUK II. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

 

  1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
  2. betekenen de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat” het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Nederland, of de Republiek Cyprus (Cyprus), al naargelang de context vereist;
  3. betekent de uitdrukking „Nederland”:
  4. het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationaal recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; en
  5. het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat is gelegen in de Caribische Zee en bestaat uit de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationaal recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent, maar met uitzondering van de delen die betrekking hebben op Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
  6. betekent de uitdrukking „Cyprus” de Republiek Cyprus en, wanneer zij wordt gebezigd in aardrijkskundige zin, met inbegrip van het nationaal grondgebied, de territoriale zee daarvan alsmede elk gebied buiten de territoriale zee, met inbegrip van de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, dat ingevolge de wetten van de Republiek Cyprus en in overeenstemming met het internationaal recht is of op een later tijdstip kan worden aangewezen als een gebied waarbinnen de Republiek Cyprus soevereine rechten en rechtsmacht uitoefent;
  7. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
  8. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
  9. heeft de uitdrukking „onderneming” betrekking op elke uitoefening van een bedrijf;
  10. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;
  11. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van haar werkelijke leiding in een verdragsluitende staat is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragsluitende staat zijn gelegen;
  12. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
  13. in Nederland de minister van Financiën of de bevoegde vertegenwoordiger van de minister;
  14. op Cyprus de minister van Financiën of de bevoegde vertegenwoordiger van de minister;
  15. betekent de uitdrukking „onderdaan” elke natuurlijke persoon die de nationaliteit of het staatsburgerschap van het Koninkrijk der Nederlanden of de Republiek Cyprus bezit en elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in die staten van kracht is;
  16. omvat de uitdrukking „uitoefenen van een bedrijf” mede de uitoefening van een vrij beroep en het verrichten van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
  17. betekent de uitdrukking „erkend pensioenfonds” van een verdragsluitende staat een in die staat opgerichte entiteit of constructie die op grond van de belastingwetgeving van die staat als een afzonderlijke persoon behandeld wordt en:
  18. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opgericht en wordt geëxploiteerd ten behoeve van het beheren of het voorzien in oudedagsvoorzieningen en ondergeschikte of bijkomstige voorzieningen aan natuurlijke personen en als zodanig gereguleerd wordt door die staat of door een van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan; of
  19. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opgericht en wordt geëxploiteerd voor het beleggen van gelden ten voordele van entiteiten of constructies zoals bedoeld in subonderdeel i.

 

  1. Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elke daarin niet omschreven uitdrukking, tenzij de context anders vereist, de betekenis welke deze op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.

 

 

Artikel 4. Inwoner

 

  1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid, en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan alsmede een erkend pensioenfonds van die staat. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat.

 

  1. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
  2. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
  3. indien niet kan worden bepaald in welke staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
  4. indien hij in beide staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan is;
  5. indien hij onderdaan is van beide staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de aangelegenheid in onderling overleg.

 

  1. Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderlinge overeenstemming te bepalen van welke verdragsluitende staat die persoon voor de toepassing van het Verdrag geacht wordt inwoner te zijn, daarbij rekening houdend met zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere relevante factoren. Wanneer dergelijke overeenstemming ontbreekt, is die persoon niet gerechtigd tot enige belastingvermindering of -vrijstelling waarin dit Verdrag voorziet, behalve in de mate waarin en de wijze waarop dat wordt overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.

 

Artikel 5. Vaste inrichting

 

  1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.

 

  1. De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
  2. een plaats waar leiding wordt gegeven;
  3. een filiaal;
  4. een kantoor;
  5. een fabriek;
  6. een werkplaats; en
  7. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of elke andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

 

  1. Een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.

 

  1. Uitsluitend teneinde de duur vast te stellen van een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden ingevolge het derde lid, wanneer een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden uitoefent op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden en die werkzaamheden worden uitgeoefend gedurende een of meer tijdvakken die in totaal langer duren dan 30 dagen zonder de termijn van twaalf maanden te overschrijden en op diezelfde plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende verschillende tijdvakken, die elk langer duren dan 30 dagen, daarmee verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstgenoemde onderneming, worden die verschillende tijdvakken bij het tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden heeft uitgeoefend op die plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden.

 

  1. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” geacht niet te omvatten:
  2. het gebruikmaken van inrichtingen uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
  3. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
  4. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;
  5. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of informatie in te winnen;
  6. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid te verrichten;
  7. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden te verrichten,

 

op voorwaarde dat die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

 

  1. Het vijfde lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat bedrijfsactiviteiten verricht, en
  2. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de bepalingen van dit artikel; of
  3. het geheel van de activiteiten dat resulteert uit de combinatie van de activiteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft,

 

op voorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, maar onder voorbehoud van de bepalingen van het achtste lid, indien een persoon namens een onderneming optreedt in een verdragsluitende staat en daarbij gewoonlijk overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de voornaamste rol speelt die leidt tot het sluiten van overeenkomsten die stelselmatig zonder materiële wijziging door de onderneming gesloten worden, en die overeenkomsten gesloten zijn:
  2. in naam van de onderneming; of
  3. voor de eigendomsoverdracht of voor het verlenen van het gebruiksrecht van goederen die aan die onderneming toebehoren of ter zake waarvan de onderneming het gebruiksrecht heeft; of
  4. voor het verlenen van diensten door die onderneming,

 

wordt die onderneming geacht in die staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot alle werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van een dergelijke persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vijfde lid, die, indien zij zouden worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting (anders dan een vaste bedrijfsinrichting waarop het zesde lid van toepassing zou zijn), deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.

 

  1. Het zevende lid is niet van toepassing indien de persoon die in een verdragsluitende staat optreedt voor een onderneming van de andere verdragsluitende staat, in de eerstgenoemde staat een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke vertegenwoordiger en voor de onderneming handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Wanneer een persoon evenwel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt die persoon ten opzichte van elke dergelijke onderneming niet geacht een onafhankelijke vertegenwoordiger te zijn in de zin van dit lid.

 

  1. Ten behoeve van de toepassing van dit artikel, is een persoon of onderneming nauw verbonden met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of dat beide onder zeggenschap staan van dezelfde personen of ondernemingen. In elk geval wordt een persoon of een onderneming geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene direct of indirect meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijke belang in de andere (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of indien een andere persoon of onderneming direct of indirect meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijke belang (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in de persoon en de onderneming of in de twee ondernemingen.

 

  1. De omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat of dat in die andere staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), bestempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

 

HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

 

Artikel 6. Inkomen uit onroerende zaken

 

  1. Inkomen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit onroerende zaken (waaronder begrepen inkomen uit landbouw- of bosbedrijven) gelegen in de andere verdragsluitende staat, mag in die andere staat worden belast.

 

  1. De uitdrukking „onroerende zaken” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat waarin de desbetreffende zaken zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op variabele of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.

 

  1. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op inkomen verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende zaken.

 

  1. De bepalingen van het eerste en derde lid zijn eveneens van toepassing op inkomen uit onroerende zaken van een onderneming.

 

Artikel 7. Winst uit onderneming

 

  1. De winst van een onderneming van een verdragsluitende staat is slechts in die staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere verdragsluitende staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mag de winst die in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid aan de vaste inrichting kan worden toegerekend in die andere staat worden belast.

 

  1. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 21 is de winst die in elk van de verdragsluitende staten kan worden toegerekend aan de vaste inrichting bedoeld in het eerste lid, de winst die zij naar verwachting zou behalen, in het bijzonder via haar handelen met andere onderdelen van de onderneming, indien zij een afzonderlijke en onafhankelijke onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou verrichten onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden, rekening houdend met de door de onderneming via de vaste inrichting en andere onderdelen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte vermogensbestanddelen en genomen risico’s.

 

  1. Indien een verdragsluitende staat, in overeenstemming met het tweede lid, de winst corrigeert die kan worden toegerekend aan een vaste inrichting van een onderneming van een van de verdragsluitende staten en de winst van de onderneming die in de andere staat is belast, dienovereenkomstig belast, brengt de andere staat, voor zover nodig om dubbele belastingheffing over deze winst te vermijden, een passende correctie aan van het bedrag aan belasting dat over deze winst is geheven. Voor het vaststellen van de correctie plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zo nodig met elkaar overleg.

 

  1. Indien de winst inkomensbestanddelen bevat die afzonderlijk in andere artikelen van dit Verdrag worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

 

Artikel 8. Internationale scheep- en luchtvaart

 

  1. Winst uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer is slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

 

  1. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op winst uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.

 

Artikel 9. Gelieerde ondernemingen

 

  1. Indien
  2. een onderneming van een verdragsluitende staat direct of indirect deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere verdragsluitende staat, of
  3. dezelfde personen direct of indirect deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een verdragsluitende staat en een onderneming van de andere verdragsluitende staat,

 

en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mag alle winst die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast. Het is echter wel te verstaan dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten, zoals cost-sharing-overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in de voorgaande zin.

 

  1. Indien een verdragsluitende staat in de winst van een onderneming van die staat winst begrijpt – en dienovereenkomstig belast – ter zake waarvan een onderneming van de andere verdragsluitende staat in die andere staat in de belastingheffing is betrokken en deze winst bestaat uit winst welke de onderneming van de eerstbedoelde staat zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, past die andere staat het bedrag aan belasting dat in die staat over die winst is geheven, dienovereenkomstig aan. Bij de vaststelling van een dergelijke aanpassing worden de overige bepalingen van dit Verdrag naar behoren in acht genomen en plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zo nodig met elkaar overleg.

 

Artikel 10. Dividenden

 

  1. Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.

 

  1. Dergelijke dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner van de andere verdragsluitende staat is, overschrijdt de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, worden deze dividenden niet belast in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden:
  2. een lichaam is dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat en direct ten minste 5 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt gedurende een periode van 365 dagen waarbinnen de dag valt waarop de dividenden betaald worden (voor het berekenen van die periode wordt geen rekening gehouden met veranderingen van eigenaar die rechtstreeks voortvloeien uit een bedrijfsreorganisatie zoals een fusie of een splitsing van het lichaam dat de aandelen bezit of de dividenden betaalt); of
  3. een erkend pensioenfonds van de andere verdragsluitende staat is dat in het algemeen is vrijgesteld ingevolge de wetgeving inzake de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting voor ondernemingen van die andere staat.

 

  1. De bepalingen van het tweede en derde lid laten de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet.

 

  1. De uitdrukking „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomen uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede inkomen uit andere vennootschappelijke rechten dat door de wetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing wordt onderworpen als inkomen uit aandelen.

 

  1. De bepalingen van het eerste, tweede, derde en achtste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

 

  1. Indien een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat, winst of inkomen verkrijgt uit de andere verdragsluitende staat, mag die andere staat geen belasting heffen over de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover dergelijke dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere staat of voor zover het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van een in die andere staat gelegen vaste inrichting behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit winst die of inkomen dat uit die andere staat afkomstig is.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en zevende lid mogen dividenden betaald door een lichaam dat krachtens de wetgeving van een verdragsluitende staat inwoner van die staat is, aan een natuurlijke persoon die een inwoner van de andere verdragsluitende staat is en die, ter zake van het niet langer inwoner zijn van de eerstgenoemde staat, wordt belast over de waardevermeerdering van vermogen ter zake van de periode waarin die natuurlijke persoon inwoner van de eerstgenoemde staat was zoals bedoeld in artikel 13, vijfde lid, in overeenstemming met de wetgeving van die staat ook in die staat worden belast, maar uitsluitend voor zover er van de aanslag ter zake van de waardevermeerdering nog een bedrag openstaat.

 

Artikel 11. Interest

 

  1. Interest afkomstig uit een verdragsluitende staat en verkregen door een inwoner van de andere verdragsluitende staat die de uiteindelijk gerechtigde is, is slechts in die andere staat belastbaar.

 

  1. De uitdrukking „interest” zoals gebezigd in dit artikel betekent inkomen uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomen uit overheidsleningen en inkomen uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan dergelijke leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. Opgelegde boetes voor te late betaling worden voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.

 

  1. De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de interest afkomstig is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

 

  1. Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, zulks met zorgvuldige inachtneming van de overige bepalingen van dit Verdrag.

 

Artikel 12. Royalty’s

 

  1. Royalty’s afkomstig uit een verdragsluitende staat en verkregen door een inwoner van de andere verdragsluitende staat die de uiteindelijk gerechtigde is, zijn slechts in die andere staat belastbaar.

 

  1. De uitdrukking „royalty’s” zoals gebezigd in dit artikel betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, waaronder begrepen bioscoopfilms, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor informatie omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

 

  1. De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty’s die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de royalty’s afkomstig zijn, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty’s worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

 

  1. Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty’s, gelet op het gebruik, het recht of de informatie waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, zulks met zorgvuldige inachtneming van de overige bepalingen van dit Verdrag.

 

Artikel 13. Vermogenswinsten

 

  1. Voordelen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van onroerende zaken als bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.

 

  1. Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van een dergelijke vaste inrichting (afzonderlijk of met de gehele onderneming), mogen in die andere staat worden belast.

 

  1. Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd of van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

 

  1. Voordelen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van aandelen in een lichaam of daarmee vergelijkbare belangen die meer dan 50 percent van hun waarde direct of indirect ontlenen aan onroerende zaken die in de andere verdragsluitende staat zijn gelegen, mogen in die andere staat worden belast. Dit lid is echter niet van toepassing op voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen of daarmee vergelijkbare belangen:
  2. die genoteerd staan aan een erkende effectenbeurs;
  3. tijdens een bedrijfsreorganisatie, zoals een kwalificerende fusie, splitsing en soortgelijke transactie;

         iii.      indien de onroerende zaken die de waarde bepalen van de aandelen of daarmee vergelijkbare belangen onroerende zaken zijn waarin het bedrijf wordt uitgeoefend;

  1. indien de vervreemder vóór de eerste vervreemding direct of indirect, hetzij alleen, hetzij met gelieerde personen, 25 percent of minder van het kapitaal of de andere daarmee vergelijkbare belangen bezat;
  2. indien de vervreemder een erkend pensioenfonds van de eerstgenoemde verdragsluitende staat is.

 

  1. Indien een natuurlijke persoon inwoner was van een verdragsluitende staat en inwoner is geworden van de andere verdragsluitende staat, belet het zesde lid de eerstgenoemde staat niet uit hoofde van zijn nationale recht de waardevermeerdering van aandelen, winstbewijzen, koopopties en het vruchtgebruik op aandelen en winstbewijzen van en schuldvorderingen op een lichaam te belasten ter zake van de periode waarin die natuurlijke persoon inwoner van de eerstgenoemde staat was. In dat geval wordt de waardevermeerdering van vermogen, belast in de eerstgenoemde staat, niet begrepen in de belastinggrondslag bij de vaststelling van de daaropvolgende waardevermeerdering van het vermogen door de andere staat.

 

  1. Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan die bedoeld in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarvan de vervreemder inwoner is.

 

Artikel 14. Inkomen uit dienstbetrekking

 

  1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 15, 16 en 17 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere staat worden belast.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van een in de andere verdragsluitende staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde staat belastbaar, indien:
  2. de genieter in de andere staat verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaat of gaan; en
  3. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere staat is; en
  4. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in de andere staat heeft.

 

  1. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

 

Artikel 15. Directeursbeloningen

 

  1. Directeursbeloningen en andere beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer van een lichaam dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.

 

  1. Indien een lichaam inwoner is van Nederland, omvat de uitdrukking „lid van de raad van beheer” zowel een bestuurder als een commissaris. De uitdrukkingen „bestuurder” en „commissaris” betekenen respectievelijk personen die zijn belast met de algemene leiding van het lichaam en personen die zijn belast met het toezicht daarop.

 

Artikel 16. Pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen

 

  1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 17, tweede lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede lijfrenten, verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat slechts in die staat belastbaar. Pensioenen en andere uitkeringen krachtens de bepalingen van een socialezekerheidsstelsel van een verdragsluitende staat (socialezekerheidspensioen) aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat zijn slechts in die andere staat belastbaar.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, mag een pensioen of andere soortgelijke beloning, alsmede lijfrenten of socialezekerheidspensioenen, die afkomstig zijn uit een verdragsluitende staat ook in die staat worden belast, in overeenstemming met de wetgeving van die staat, indien het totale brutobedrag van de pensioenen en andere soortgelijke beloningen, lijfrenten en socialezekerheidspensioenen, met inbegrip van pensioenen en andere soortgelijke beloningen bedoeld in artikel 17, tweede lid, in het desbetreffende belastingjaar het bedrag van 15.000 euro te boven gaat.

 

  1. De uitdrukking „lijfrente” betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, die tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

 

  1. Een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente wordt geacht afkomstig te zijn uit een verdragsluitende staat voor zover de met dat pensioen of die soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen of betalingen, dan wel de aanspraken op dat pensioen of die andere soortgelijke beloning of lijfrente, in die staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale tegemoetkoming. De overdracht van een pensioen, andere soortgelijke beloning of lijfrente van een in een van de verdragsluitende staten gevestigd pensioenfonds of aldaar gevestigde verzekeringsmaatschappij naar een in een andere staat gevestigd pensioenfonds of aldaar gevestigde verzekeringsmaatschappij beperkt op geen enkele wijze de ingevolge dit artikel aan de eerstbedoelde verdragsluitende staat toegekende heffingsrechten.

 

  1. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing indien in plaats van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente een afkoopsom wordt betaald.

 

Artikel 17. Overheidsfuncties

 

1.

  1. Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, betaald door een verdragsluitende staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, aan een natuurlijke persoon ter zake van het verlenen van diensten aan die staat of dat onderdeel of dat lichaam, mogen in die staat worden belast;
  2. Deze salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen zijn echter slechts in de andere verdragsluitende staat belastbaar, indien de diensten in die staat worden verleend en de natuurlijke persoon inwoner is van die staat en:
  3. onderdaan is van die staat; of
  4. niet uitsluitend voor het verlenen van de diensten inwoner van die staat is geworden.

 

2.

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid mogen pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door, een verdragsluitende staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van het verlenen van diensten aan die staat of dat onderdeel of dat lichaam, in die staat worden belast.
  2. Deze pensioenen en andere soortgelijke beloningen zijn echter slechts in de andere verdragsluitende staat belastbaar, indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die staat.

 

  1. De bepalingen van de artikelen 14, 15 en 16 zijn van toepassing op salarissen, lonen, pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van diensten verleend in het kader van een bedrijf, uitgeoefend door een verdragsluitende staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

 

Artikel 18. Studenten

 

Betalingen die een student of een stagiair die inwoner is, of onmiddellijk voorafgaand aan zijn bezoek aan een verdragsluitende staat was, van de andere verdragsluitende staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die staat niet belastbaar, mits dergelijke betalingen afkomstig zijn uit bronnen buiten die staat.

 

Artikel 19. Werkzaamheden buitengaats

 

  1. De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag.

 

  1. Een onderneming van een verdragsluitende staat die in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt, behoudens het vierde lid, geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting.

 

  1. In dit artikel betekent de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” werkzaamheden die buitengaats worden verricht in een verdragsluitende staat in verband met de exploratie of exploitatie van de in die staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van werkzaamheden verricht in verband met de productie van energie uit water, stroming, zon en wind.

 

  1. De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing indien de werkzaamheden worden verricht gedurende een tijdvak dat in een tijdvak van twaalf maanden, beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar, een totaal van 30 dagen niet te boven gaat. Voor de toepassing van dit lid echter worden:
  2. werkzaamheden die worden verricht door een onderneming die gelieerd is aan een onderneming van een verdragsluitende staat beschouwd als verricht door laatstgenoemde onderneming indien de werkzaamheden die beide ondernemingen verrichten in wezen dezelfde zijn;
  3. twee ondernemingen worden geacht gelieerd te zijn indien:
  4. een onderneming direct of indirect deelneemt aan de leiding van of aan het toezicht op de andere onderneming of direct of indirect ten minste 30 percent van het kapitaal van de andere onderneming bezit, of
  5. dezelfde persoon of personen direct of indirect deelneemt of deelnemen aan de leiding van of aan het toezicht op beide ondernemingen of direct of indirect ten minste 30 percent van het kapitaal van beide ondernemingen bezit of bezitten.

 

  1. Voor de toepassing van het derde lid van dit artikel wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats” geacht niet te omvatten:
  2. een van de werkzaamheden of een combinatie daarvan als genoemd in artikel 5, vijfde lid;
  3. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door dergelijke schepen verrichte werkzaamheden;
  4. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.

 

6.

  1. Onder voorbehoud van de onderdelen b en c van dit lid mogen salarissen, lonen en soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van een dienstbetrekking in verband met werkzaamheden buitengaats in de andere verdragsluitende staat, voor zover de diensten buitengaats in die andere staat zijn verricht, in die andere staat worden belast.
  2. Deze beloning is echter uitsluitend belastbaar in de eerstgenoemde staat indien:
  3. de genieter in de andere staat verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 30 dagen niet te boven gaat of gaan; en
  4. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere staat is, en

iii.      de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in de andere staat heeft.

  1. Salarissen, lonen en soortgelijke beloningen verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig geëxploiteerd door een onderneming van een verdragsluitende staat voor het vervoer in internationaal verkeer van voorraden of personeel naar een plaats waar werkzaamheden buitengaats worden verricht, of ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een sleepboot die of ankerbehandelingsschip dat door een onderneming van een verdragsluitende staat wordt geëxploiteerd in verband met deze werkzaamheden, mogen slechts worden belast in de verdragsluitende staat waarin de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

 

  1. Voordelen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van:
  2. rechten tot exploratie of exploitatie; of
  3. technische apparatuur of andere soortgelijke zaken die zijn gelegen in de andere verdragsluitende staat en direct worden gebruikt in de werkzaamheden buitengaats, zoals omschreven in het derde lid, die in die andere staat worden verricht; of
  4. aandelen die meer dan 50 percent van hun waarde direct of indirect ontlenen aan dergelijke rechten of dergelijke zaken of aan dergelijke rechten en zaken tezamen,

 

mogen in die andere staat worden belast.

 

Onder „rechten tot exploratie of exploitatie” worden in dit lid verstaan de rechten op vermogensbestanddelen die voortvloeien uit de exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van de exploratie of exploitatie van de zeebodem of de ondergrond daarvan van die verdragsluitende staat, rechten in verband met de productie van energie uit water, stroming, zon en wind, alsmede rechten op belangen in of op voordelen uit dergelijke vermogensbestanddelen.

 

Artikel 20. Overig inkomen

 

  1. Inkomensbestanddelen van een inwoner van een verdragsluitende staat, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van dit Verdrag zijn behandeld, zijn slechts in die staat belastbaar.

 

  1. De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op inkomen, niet zijnde inkomen uit onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, indien de genieter van dat inkomen, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, en het recht of de zaak ter zake waarvan het inkomen wordt betaald tot het vermogen van een dergelijke vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

 

HOOFDSTUK IV. VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING

 

Artikel 21. Vermijden van dubbele belasting

 

  1. Nederland is bevoegd in de grondslag waarnaar belasting wordt geheven van zijn inwoners de inkomensbestanddelen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag op Cyprus mogen worden belast of slechts op Cyprus belastbaar zijn. In deze gevallen verleent Nederland echter een vermindering van of een aftrek op de Nederlandse belasting overeenkomstig de bepalingen van het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid.

 

  1. Indien een inwoner van Nederland inkomensbestanddelen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste, derde en vierde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 10, zesde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid, artikel 14, eerste lid, artikel 16, tweede lid, artikel 17, eerste lid (onderdeel a) en tweede lid (onderdeel a), artikel 19, zesde lid (onderdeel a) en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag op Cyprus mogen worden belast of slechts op Cyprus belastbaar zijn en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland dergelijke inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Daartoe worden de bedoelde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de inkomensbestanddelen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

 

  1. De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing op inkomensbestanddelen verkregen door een inwoner van Nederland wanneer Cyprus de bepalingen van dit Verdrag toepast om deze inkomensbestanddelen vrij te stellen van belasting.

 

  1. Indien een inwoner van Nederland inkomensbestanddelen verkrijgt die volgens artikel 10, tweede en achtste lid, artikel 13, vierde en vijfde lid, artikel 14, derde lid, artikel 15, eerste lid, artikel 16, vijfde lid en artikel 19, zesde lid (onderdeel c) en zevende lid (onderdelen a, b en c) van dit Verdrag in Cyprus mogen worden belast of slechts op Cyprus belastbaar zijn, verleent Nederland een aftrek op zijn belasting voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de op Cyprus over deze inkomensbestanddelen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden

 

van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de aftrek die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen inkomensbestanddelen de enige bestanddelen zouden zijn geweest waarvoor Nederland een vermindering verleent uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting.

 

  1. De bepalingen van het vierde lid beperken een tegemoetkoming nu of in de toekomst verleend uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting niet, echter uitsluitend voor zover het de berekening van het bedrag van de vermindering van de Nederlandse belasting betreft met betrekking tot de som van het inkomen afkomstig uit meer dan een rechtsgebied en de voortwenteling van de belasting betaald op Cyprus op bedoelde inkomensbestanddelen naar de volgende jaren.

 

  1. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, verleent Nederland een aftrek op de Nederlandse belasting voor de op Cyprus betaalde belasting op inkomensbestanddelen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, zesde lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag op Cyprus mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Nederland uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een aftrek verleent op de Nederlandse belasting voor de in een ander land over die inkomensbestanddelen geheven belasting.

 

Voor de berekening van deze vermindering zijn de bepalingen van het vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

 

  1. Op Cyprus wordt dubbele belasting als volgt vermeden:

 

Onder voorbehoud van de bepalingen van het Cypriotische belastingrecht ter zake van de verrekening van buitenlandse belasting, kan de verschuldigde Cypriotische belasting ter zake van de volgende inkomensbestanddelen worden verrekend met de ingevolge het Nederlandse belastingrecht betaalde Nederlandse belasting en in overeenstemming met dit Verdrag. De verrekening overschrijdt echter niet dat deel van de Cypriotische belasting, zoals berekend vóór het verlenen van de verrekening, dat kan worden toegerekend aan die inkomensbestanddelen.

 

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN

 

Artikel 22. Non-discriminatie

 

  1. Onderdanen van een verdragsluitende staat worden in de andere verdragsluitende staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere staat onder dezelfde omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande de bepalingen van artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.

 

  1. Staatlozen die inwoner zijn van een verdragsluitende staat worden in geen van de verdragsluitende staten aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van de desbetreffende staat onder dezelfde omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot de woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen.

 

  1. De belastingheffing ter zake van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, is in die andere staat niet ongunstiger dan de belastingheffing over ondernemingen van die andere staat die dezelfde werkzaamheden verrichten. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een verdragsluitende staat verplicht aan inwoners van de andere verdragsluitende staat bij de belastingheffing alle persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de burgerlijke staat, de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde verdragsluitende staat aan zijn eigen inwoners verleent.

 

  1. Behalve indien de bepalingen van artikel 9, eerste lid, artikel 11, vierde lid, of artikel 12, vierde lid, van toepassing zijn, zijn interest, royalty’s en andere uitgaven betaald door een onderneming van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde staat.

 

  1. Ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat, worden in de eerstbedoelde staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen.

 

  1. De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.

 

Artikel 23. Procedure voor onderling overleg

 

  1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die staten voorziet, de zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteit van een van de verdragsluitende staten. De zaak dient te worden voorgelegd binnen drie jaar na de eerste kennisgeving omtrent de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag.

 

  1. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de zaak in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat op te lossen teneinde belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag te vermijden. Elke bereikte overeenstemming wordt ten uitvoer gelegd niettegenstaande eventuele termijnen waarin de nationale wetgeving van de verdragsluitende staten voorziet.

 

  1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van het Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting te vermijden in gevallen die niet in het Verdrag zijn geregeld.

 

  1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen zich rechtstreeks, waaronder via een gezamenlijke commissie bestaande uit henzelf of hun vertegenwoordigers, met elkaar in verbinding stellen teneinde overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

 

  1. Indien:
  2. een persoon op grond van het eerste lid een zaak heeft voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat omdat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten ertoe hebben geleid dat de belastingheffing voor die persoon niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag; en
  3. de bevoegde autoriteiten er niet in slagen overeenstemming te bereiken om die zaak op te lossen overeenkomstig het tweede lid, binnen twee jaar na de datum waarop de door de bevoegde autoriteiten benodigde informatie om de zaak te beoordelen aan beide bevoegde autoriteiten is verstrekt,

 

wordt elke onopgeloste kwestie die voortvloeit uit de zaak op schriftelijk verzoek van de persoon aan arbitrage onderworpen. Deze onopgeloste kwesties worden evenwel niet aan arbitrage onderworpen indien een rechterlijke instantie of administratieve rechtbank van een van beide staten reeds over deze kwesties heeft beslist. Tenzij een rechtstreeks bij de zaak betrokken persoon de gezamenlijke regeling voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt, is die uitspraak bindend voor beide verdragsluitende staten en wordt deze ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in het nationale recht van de staten.

 

Artikel 24. Uitwisseling van informatie

 

  1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.

 

  1. Alle op grond van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande het voorgaande mag de informatie ontvangen door een verdragsluitende staat voor andere doeleinden worden gebruikt, indien dergelijke informatie ingevolge de wetgeving van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dergelijk gebruik instemt.

 

  1. De verdragsluitende staten kunnen aan een arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van artikel 23, vijfde lid, de informatie verstrekken die nodig is om de arbitrageprocedure uit te voeren. De leden van de arbitragecommissie zijn met betrekking tot de aldus verstrekte informatie onderworpen aan de beperkingen van bekendmaking als omschreven in het tweede lid van dit artikel.

 

  1. In geen geval worden de bepalingen van het eerste en tweede lid zo uitgelegd dat zij een verdragsluitende staat de verplichting opleggen:
  2. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of bestuurlijke praktijk van die of van de andere verdragsluitende staat;
  3. informatie te verstrekken die niet verkrijgbaar is volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in het bestuur van die of van de andere verdragsluitende staat;
  4. informatie te verstrekken die een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel geheim, commercieel geheim of beroepsgeheim of een handelsproces openbaar zou maken, dan wel informatie waarvan openbaarmaking in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public).

 

  1. Indien informatie wordt verzocht door een verdragsluitende staat in overeenstemming met dit artikel, wendt de andere verdragsluitende staat zijn maatregelen inzake het verzamelen van informatie aan om de verzochte informatie te verkrijgen, ongeacht het feit dat de andere staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke informatie behoeft te beschikken. Op de in de vorige volzin vervatte verplichting zijn de beperkingen van het vierde lid van toepassing, maar deze beperkingen mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke informatie te weigeren dergelijke informatie te verstrekken.

 

  1. De bepalingen van het vierde lid mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is het verstrekken van informatie te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de informatie berust bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking heeft op eigendomsbelangen in een persoon.

 

Artikel 25. Leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten

 

  1. Niets in dit Verdrag tast de fiscale voorrechten aan die leden van diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten ontlenen aan de algemene regels van het internationaal recht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

 

  1. Voor de toepassing van het Verdrag wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat of in een derde staat en die een onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen is onderworpen als inwoners van die staat.

 

 

 

 

Artikel 26. Recht op voordelen

 

  1. Niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag, wordt een voordeel uit hoofde van dit Verdrag niet toegekend met betrekking tot een inkomensbestanddeel indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste doelen was van een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat toekenning van dit voordeel onder deze omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van dit Verdrag. De bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat alvorens een voordeel uit hoofde van dit lid te weigeren.

 

  1. Indien een persoon een voordeel uit hoofde van dit Verdrag wordt geweigerd ingevolge het eerste lid, dient de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat die het voordeel anderszins zou hebben toegekend deze persoon desalniettemin te behandelen alsof deze recht heeft op dit voordeel of op andere voordelen ter zake van een specifiek inkomensbestanddeel, indien deze bevoegde autoriteit, op verzoek van deze persoon en na bestudering van de relevante feiten en omstandigheden, vaststelt dat deze voordelen zouden zijn verleend bij het ontbreken van de transactie of constructie bedoeld in het eerste lid. De bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat bij wie het verzoek is ingediend, raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere staat alvorens een verzoek dat door een inwoner van die andere staat overeenkomstig dit lid is ingediend af te wijzen.

 

Artikel 27. Uitbreiding tot andere gebieden

 

  1. Dit Verdrag kan, hetzij in zijn geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao of Sint Maarten indien het betrokken deel van het Koninkrijk der Nederlanden belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Een dergelijke uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

 

  1. Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëindiging van het Verdrag niet met zich dat tevens het Verdrag voor het deel of de delen van het Koninkrijk der Nederlanden waartoe het ingevolge dit artikel is uitgebreid, eindigt.

 

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 28. Inwerkingtreding

 

  1. Dit Verdrag treedt in werking op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de laatste van de kennisgevingen is ontvangen waarin de onderscheiden verdragsluitende staten elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld, dat aan de in hun onderscheiden staten grondwettelijk vereiste formaliteiten is voldaan, en de bepalingen ervan zijn van toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken beginnend, en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen, op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het Verdrag in werking is getreden.

 

  1. Niettegenstaande de bepaling van het eerste lid, zijn de bepalingen van artikel 23, vijfde lid, en artikel 24, derde lid, alleen van toepassing indien, na het ondertekenen van dit Verdrag, Cyprus de noodzakelijke rechtsbasis heeft ingevoerd met betrekking tot deze bepalingen. In dat geval stelt Cyprus Nederland langs diplomatieke weg in kennis van de datum met ingang waarvan Cyprus de noodzakelijke rechtsbasis heeft ingevoerd.

 

Artikel 29. Beëindiging

 

  1. Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door één van de verdragsluitende staten wordt beëindigd. Elk van de staten kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door schriftelijk kennis te geven van de beëindiging. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken beginnend, en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen, na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan, indien de kennisgeving is gedaan in de eerste zes maanden van een kalenderjaar. Indien een kennisgeving van beëindiging is gedaan in de laatste zes maanden van een kalenderjaar, houdt het Verdrag op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

 

  1. Kennisgeving van beëindiging wordt geacht door een verdragsluitende staat te zijn gedaan op de datum van ontvangst van een dergelijke kennisgeving door de andere verdragsluitende staat.

 

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

 

GEDAAN in tweevoud Nicosia op 1 juni 2021, in de Griekse, de Nederlandse en de Engelse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn. Ingeval de teksten verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst doorslaggevend.

 

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

 

ELKE MERKS-SCHAAPVELD

 

Voor de Regering van de Republiek Cyprus,

 

CONSTANTINOS PETRIDES

 

 

 

Protocol bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting

 

Ter zake van het Verdrag gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend deel van het Verdrag vormen.

 

  1. Ad artikel 4, derde lid

 

Het is wel te verstaan dat bij het bepalen van de woonplaats van een persoon de bevoegde autoriteiten in aanmerking nemen:

  1. op welke plaats het senior management van de persoon wordt uitgeoefend;
  2. waar de vergaderingen van de raad van beheer of een daarmee vergelijkbaar orgaan plaatsvinden;

         iii.      waar de chief executive officer en andere hogere leidinggevenden gewoonlijk hun werkzaamheden verrichten

  1. waar het hoofdkantoor van de persoon gevestigd is;
  2. van welke staat de wetten van toepassing zijn op de rechtspositie van de persoon;
  3. waar de financiële administratie van de persoon wordt gevoerd;

         vii.     wat de omvang en aard van de economische band van de persoon met elk van de staten is; en

         viii.     of de vaststelling dat de persoon inwoner is van een van de verdragsluitende staten maar niet van de andere staat voor de toepassing van het Verdrag, het risico met zich brengt dat het Verdrag niet naar behoren wordt toegepast of dat de nationale wetgeving van een van de staten onjuist wordt toegepast.

 

Hoewel deze lijst met factoren niet uitputtend is, zijn bij ontstentenis van bovenstaande factor viii, de factoren i tot en met vii doorgaans doorslaggevend.

 

De bevoegde autoriteiten passen de bepalingen van artikel 4, derde lid, per geval toe. Aangezien de feiten waarop een overeenkomst is gebaseerd na verloop van tijd kunnen veranderen, kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomsten herzien, met name wanneer er belangrijke wijzigingen zijn opgetreden wat betreft de relevante feiten.

 

  1. Ad Artikelen 10 en 20
  2. Niettegenstaande artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 20, wordt Nederland niet belet om zijn nationale belastingwetgeving toe te passen met betrekking tot een belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling overeenkomstig de Nederlandse vennootschapsbelasting. Indien de uiteindelijk gerechtigde echter een inwoner van Cyprus is, dan mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van het aldus belaste inkomen niet overschrijden.
  3. De bepalingen van artikel 10, tweede en derde lid, laten het recht van het Caribische deel van Nederland om in overeenstemming met zijn wetgeving opbrengstbelasting te heffen onverlet.
  4. De bepalingen van artikel 10, derde lid, zijn niet van toepassing op dividenden betaald door of aan een persoon die voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting een fiscale beleggingsinstelling is.

 

  1. Ad Artikelen 10 en 13

 

Het is wel te verstaan dat een inkomensbestanddeel ontvangen in verband met de (gedeeltelijke) liquidatie van een lichaam of een inkoop van eigen aandelen door een lichaam wordt behandeld als inkomen uit aandelen en niet als vermogenswinsten.

 

  1. Ad Artikel 24
  2. De bepalingen van artikel 24 zijn van dien overeenkomstige toepassing op informatie die relevant is voor de tenuitvoerlegging van inkomensgerelateerde voorschriften krachtens de Nederlandse wetgeving door de Nederlandse belastingautoriteiten.
  3. Alle informatie die uit hoofde van het eerste lid van dit artikel juncto artikel 24 van dit Verdrag wordt ontvangen, wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van de vaststelling en heffing van de bijdragen en de vaststelling en toewijzing van de voordelen uit hoofde van de inkomensgerelateerde voorschriften bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
  4. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen in onderling overleg de wijze van toepassing van artikel 24 van dit Verdrag regelen.

 

  1. EU-recht inzake administratieve bijstand

 

Het is wel te verstaan dat de verdragsluitende staten alle maatregelen inzake administratieve bijstand toepassen die beschikbaar zijn krachtens het recht van de Europese Unie.

 

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

 

GEDAAN te in tweevoud te Nicosia op 1 juni 2021, in de Griekse, de Nederlandse en de Engelse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn. Ingeval de teksten verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst doorslaggevend.

 

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

 

ELKE MERKS-SCHAAPVELD

 

Voor de Regering van de Republiek Cyprus,

 

CONSTANTINOS PETRIDES

 

 

Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Cyprus for the elimination of double taxation with respect to taxes on income and the prevention of tax evasion and avoidance

 

The Government of the Kingdom of the Netherlands

 

and

 

the Government of the Republic of Cyprus,

 

Desiring to further develop their economic relationship and to enhance their co-operation in tax matters,

 

Intending to conclude a Convention for the elimination of double taxation with respect to taxes on income without creating opportunities for non-taxation or reduced taxation through tax evasion or avoidance (including through treaty-shopping arrangements aimed at obtaining reliefs provided in this Convention for the indirect benefit of residents of third jurisdictions),

 

Have agreed as follows:

 

CHAPTER I. SCOPE OF THE CONVENTION

 

Article 1. Persons covered

 

  1. This Convention shall apply to persons who are residents of one or both of the Contracting States.

 

  1. For the purposes of this Convention, income derived by or through an entity or arrangement that is treated as wholly or partly fiscally transparent under the tax law of either Contracting State shall be considered to be income of a resident of a Contracting State but only to the extent that the income is treated, for purposes of taxation by that State, as the income of a resident of that State.

 

  1. In no case shall the provisions of paragraph 2 be construed to affect the right of a Contracting State to tax the residents of that Contracting State.

 

Article 2. Taxes covered

 

  1. This Convention shall apply to taxes on income imposed on behalf of a Contracting State or of its political subdivisions or local authorities, irrespective of the manner in which they are levied.

 

  1. There shall be regarded as taxes on income all taxes imposed on total income, or on elements of income, including taxes on gains from the alienation of movable or immovable property, taxes on the total amounts of wages or salaries paid by enterprises, as well as taxes on capital appreciation.

 

  1. The existing taxes to which the Convention shall apply are in particular:
  2. a) in the European part of the Netherlands:

 

                  (i)      the income tax (de inkomstenbelasting);

                  (ii)     the wages tax (de loonbelasting);

                  (iii)     the company tax (de vennootschapsbelasting) including the Government share in the net profits of the exploitation of natural resources levied pursuant to the Mining Act (de Mijnbouwwet);

                  (iv)    the dividend tax (de dividendbelasting); and

 

in the Caribbean part of the Netherlands:

 

                  (i)      the income tax (de inkomstenbelasting);

                  (ii)     the wages tax (de loonbelasting);

                  (iii)     the property tax (de vastgoedbelasting);

                  (iv)    the revenue tax (de opbrengstbelasting);

                  (v)     the Government share in the net profits of the exploitation of natural resources levied pursuant to the Mining Act BES (de Mijnwet BES), the Mining Decree BES (het Mijnbesluit BES) or the Petroleum Act Saba Bank BES (de Petroleumwet Saba Bank BES);

 

(hereinafter referred to as “Netherlands tax”);

  1. b) in Cyprus:

 

                  (i)      the income tax;

                  (ii)     the corporate income tax;

                  (iii)     the special contribution for the defence of the Republic; and

                  (iv)    the capital gains tax;

 

(hereinafter referred to as “Cyprus tax”).

 

  1. The Convention shall apply also to any identical or substantially similar taxes that are imposed after the date of signature of the Convention in addition to, or in place of, the existing taxes. The competent authorities of the Contracting States shall notify each other of any significant changes that have been made in their taxation laws.

 

CHAPTER II. DEFINITIONS

 

Article 3. General definitions

 

  1. For the purposes of this Convention, unless the context otherwise requires:
  2. a) the terms “a Contracting State” and “the other Contracting State” mean the Kingdom of the Netherlands, in respect of the Netherlands, or the Republic of Cyprus (Cyprus) as the context requires;
  3. b) the term “the Netherlands” means:

                  (i)      the European part of the Kingdom of the Netherlands, including its territorial sea and any area beyond and adjacent to its territorial sea within which the Kingdom of the Netherlands, in accordance with international law, exercises jurisdiction or sovereign rights; and

                  (ii)     the Caribbean part of the Kingdom of the Netherlands, which is situated in the Caribbean Sea and consists of the island territories of Bonaire, Sint Eustatius and Saba, including its territorial sea and any area beyond and adjacent to its territorial sea within which the Kingdom of the Netherlands, in accordance with international law, exercises jurisdiction or sovereign rights, but excluding the parts thereof relating to Aruba, Curaçao and Sint Maarten;

  1. c) the term “Cyprus” means the Republic of Cyprus and, when used in a geographical sense, includes the national territory, the territorial sea thereof as well as any area outside the territorial sea, including the contiguous zone, the exclusive economic zone and the continental shelf, which has been or may hereafter be designated under the laws of the Republic of Cyprus and in accordance with international law as an area within which the Republic of Cyprus may exercise sovereign rights or jurisdiction;
  2. d) the term “person” includes an individual, a company and any other body of persons;
  3. e) the term “company” means any body corporate or any entity that is treated as a body corporate for tax purposes;
  4. f) the term “enterprise” applies to the carrying on of any business;
  5. g) the terms “enterprise of a Contracting State” and “enterprise of the other Contracting State” mean respectively an enterprise carried on by a resident of a Contracting State and an enterprise carried on by a resident of the other Contracting State;
  6. h) the term “international traffic” means any transport by a ship or aircraft operated by an enterprise that has its place of effective management in a Contracting State, except when the ship or aircraft is operated solely between places in the other Contracting State;
  7. i) the term “competent authority” means:

                  (i)      in the Netherlands the Minister of Finance or the Minister’s authorised representative;

                  (ii)     in Cyprus the Minister of Finance or the Minister’s authorised representative;

  1. j) the term “national” means any individual possessing the nationality or citizenship of the Kingdom of the Netherlands or the Republic of Cyprus and any legal person, partnership or association deriving its status as such from the laws in force in those States;
  2. k) the term “business” includes the performance of professional services and of other activities of an independent character;
  3. l) the term “recognised pension fund” of a Contracting State means an entity or arrangement established in that State that is treated as a separate person under the taxation laws of that State, and:

                  (i)      that is established and operated exclusively or almost exclusively to administer or provide retirement benefits and ancillary or incidental benefits to individuals and that is regulated as such by that State or one of its political subdivisions or local authorities; or

                  (ii)     that is established and operated exclusively or almost exclusively to invest funds for the benefits of entities or arrangements referred to in subdivision (i).

 

  1. As regards the application of the Convention at any time by a Contracting State, any term not defined therein shall, unless the context otherwise requires, have the meaning that it has at that time under the law of that State for the purposes of the taxes to which the Convention applies, any meaning under the applicable tax laws of that State prevailing over a meaning given to the term under other laws of that State.

 

Article 4. Resident

 

  1. For the purposes of this Convention, the term “resident of a Contracting State” means any person who, under the laws of that State, is liable to tax therein by reason of his domicile, residence, place of management or any other criterion of a similar nature, and also includes that State and any political subdivision or local authority thereof as well as a recognised pension fund of that State. This term, however, does not include any person who is liable to tax in that State in respect only of income from sources in that State.

 

  1. Where by reason of the provisions of paragraph 1 an individual is a resident of both Contracting States, then his status shall be determined as follows:
  2. a) he shall be deemed to be a resident only of the State in which he has a permanent home available to him; if he has a permanent home available to him in both States, he shall be deemed to be a resident only of the State with which his personal and economic relations are closer (centre of vital interests);
  3. b) if the State in which he has his centre of vital interests cannot be determined, or if he has not a permanent home available to him in either State, he shall be deemed to be a resident only of the State in which he has an habitual abode;
  4. c) if he has an habitual abode in both States or in neither of them, he shall be deemed to be a resident only of the State of which he is a national;
  5. d) if he is a national of both States or of neither of them, the competent authorities of the Contracting States shall settle the question by mutual agreement.

 

  1. Where by reason of the provisions of paragraph 1 a person other than an individual is a resident of both Contracting States, the competent authorities of the Contracting States shall endeavour to determine by mutual agreement the Contracting State of which such person shall be deemed to be a resident for the purposes of the Convention, having regard to its place of effective management, the place where it is incorporated or otherwise constituted and any other relevant factors. In the absence of such agreement, such person shall not be entitled to any relief or exemption from tax provided by this Convention except to the extent and in such manner as may be agreed upon by the competent authorities of the Contracting States.

 

Article 5. Permanent establishment

 

  1. For the purposes of this Convention, the term “permanent establishment” means a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.

 

  1. The term “permanent establishment” includes especially:
  2. a) a place of management;
  3. b) a branch;
  4. c) an office;
  5. d) a factory;
  6. e) a workshop; and
  7. f) a mine, an oil or gas well, a quarry or any other place of extraction of natural resources.

 

  1. A building site or construction or installation project constitutes a permanent establishment only if it lasts more than twelve months.

 

  1. For the sole purpose of determining the duration of a building site or construction or installation project under paragraph 3, where an enterprise of a Contracting State carries on activities in the other Contracting State at a place that constitutes a building site or construction or installation project and these activities are carried on during one or more periods of time that, in the aggregate, exceed 30 days without exceeding twelve months, and connected activities are carried on at the same building site or construction or installation project during different periods of time, each exceeding 30 days, by one or more enterprises closely related to the first-mentioned enterprise, these different periods of time shall be added to the period of time during which the first-mentioned enterprise has carried on activities at that building site or construction or installation project.

 

  1. Notwithstanding the preceding provisions of this Article, the term “permanent establishment” shall be deemed not to include:
  2. a) the use of facilities solely for the purpose of storage, display or delivery of goods or merchandise belonging to the enterprise;
  3. b) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to the enterprise solely for the purpose of storage, display or delivery;
  4. c) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to the enterprise solely for the purpose of processing by another enterprise;
  5. d) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of purchasing goods or merchandise or of collecting information, for the enterprise;
  6. e) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of carrying on, for the enterprise, any other activity;
  7. f) the maintenance of a fixed place of business solely for any combination of activities mentioned in subparagraphs a) to e),

 

provided that such activity or, in the case of subparagraph f), the overall activity of the fixed place of business, is of a preparatory or auxiliary character.

 

  1. Paragraph 5 shall not apply to a fixed place of business that is used or maintained by an enterprise if the same enterprise or a closely related enterprise carries on business activities at the same place or at another place in the same Contracting State and
  2. a) that place or other place constitutes a permanent establishment for the enterprise or the closely related enterprise under the provisions of this Article, or
  3. b) the overall activity resulting from the combination of the activities carried on by the two enterprises at the same place, or by the same enterprise or closely related enterprises at the two places, is not of a preparatory or auxiliary character,

 

provided that the business activities carried on by the two enterprises at the same place, or by the same enterprise or closely related enterprises at the two places, constitute complementary functions that are part of a cohesive business operation.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, but subject to the provisions of paragraph 8, where a person is acting in a Contracting State on behalf of an enterprise and in doing so, habitually concludes contracts, or habitually plays the principal role leading to the conclusion of contracts that are routinely concluded without material modification by the enterprise, and these contracts are:

         (a)     in the name of the enterprise, or

         (b)     for the transfer of the ownership of, or for the granting of the right to use, property owned by that enterprise or that the enterprise has the right to use, or

         (c)     for the provision of services by that enterprise,

 

that enterprise shall be deemed to have a permanent establishment in that State in respect of any activities which that person undertakes for the enterprise, unless the activities of such person are limited to those mentioned in paragraph 5 which, if exercised through a fixed place of business (other than a fixed place of business to which paragraph 6 would apply), would not make this fixed place of business a permanent establishment under the provisions of that paragraph.

 

  1. Paragraph 7 shall not apply where the person acting in a Contracting State on behalf of an enterprise of the other Contracting State carries on business in the first-mentioned State as an independent agent and acts for the enterprise in the ordinary course of that business. Where, however, a person acts exclusively or almost exclusively on behalf of one or more enterprises to which it is closely related, that person shall not be considered to be an independent agent within the meaning of this paragraph with respect to any such enterprise.

 

  1. For the purposes of this Article, a person or an enterprise is closely related to an enterprise if, based on all the relevant facts and circumstances, one has control of the other or both are under the control of the same persons or enterprises. In any case, a person or an enterprise shall be considered to be closely related to an enterprise if one possesses directly or indirectly more than 50 per cent of the beneficial interest in the other (or, in the case of a company, more than 50 per cent of the aggregate vote and value of the company’s shares or of the beneficial equity interest in the company) or if another person or enterprise possesses directly or indirectly more than 50 per cent of the beneficial interest (or, in the case of a company, more than 50 per cent of the aggregate vote and value of the company’s shares or of the beneficial equity interest in the company) in the person and the enterprise or in the two enterprises.

 

  1. The fact that a company which is a resident of a Contracting State controls or is controlled by a company which is a resident of the other Contracting State, or which carries on business in that other State (whether through a permanent establishment or otherwise), shall not of itself constitute either company a permanent establishment of the other.

 

CHAPTER III. TAXATION OF INCOME

 

Article 6. Income from immovable property

 

  1. Income derived by a resident of a Contracting State from immovable property (including income from agriculture or forestry) situated in the other Contracting State may be taxed in that other State.

 

  1. The term “immovable property” shall have the meaning which it has under the law of the Contracting State in which the property in question is situated. The term shall in any case include property accessory to immovable property, livestock and equipment used in agriculture and forestry, rights to which the provisions of general law respecting landed property apply, usufruct of immovable property and rights to variable or fixed payments as consideration for the working of, or the right to work, mineral deposits, sources and other natural resources; ships and aircraft shall not be regarded as immovable property.

 

  1. The provisions of paragraph 1 shall apply to income derived from the direct use, letting, or use in any other form of immovable property.

 

  1. The provisions of paragraphs 1 and 3 shall also apply to the income from immovable property of an enterprise.

 

Article 7. business profits

 

  1. Profits of an enterprise of a Contracting State shall be taxable only in that State unless the enterprise carries on business in the other Contracting State through a permanent establishment situated therein. If the enterprise carries on business as aforesaid, the profits that are attributable to the permanent establishment in accordance with the provisions of paragraph 2 may be taxed in that other State.

 

  1. For the purposes of this Article and Article 21, the profits that are attributable in each Contracting State to the permanent establishment referred to in paragraph 1 are the profits it might be expected to make, in particular in its dealings with other parts of the enterprise, if it were a separate and independent enterprise engaged in the same or similar activities under the same or similar conditions, taking into account the functions performed, assets used and risks assumed by the enterprise through the permanent establishment and through the other parts of the enterprise.

 

  1. Where, in accordance with paragraph 2, a Contracting State adjusts the profits that are attributable to a permanent establishment of an enterprise of one of the Contracting States and taxes accordingly profits of the enterprise that have been charged to tax in the other State, the other State shall, to the extent necessary to eliminate double taxation on these profits, make an appropriate adjustment to the amount of the tax charged on those profits. In determining such adjustment, the competent authorities of the Contracting States shall if necessary consult each other.

 

  1. Where profits include items of income which are dealt with separately in other Articles of this Convention, then the provisions of those Articles shall not be affected by the provisions of this Article.

 

Article 8. International shipping and air transport

 

  1. Profits from the operation of ships or aircraft in international traffic shall be taxable only in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.

 

  1. The provisions of this Article shall also apply to profits from the participation in a pool, a joint business or an international operating agency.

 

Article 9. Associated enterprises

 

  1. Where
  2. a) an enterprise of a Contracting State participates directly or indirectly in the management, control or capital of an enterprise of the other Contracting State, or
  3. b) the same persons participate directly or indirectly in the management, control or capital of an enterprise of a Contracting State and an enterprise of the other Contracting State,

 

and in either case conditions are made or imposed between the two enterprises in their commercial or financial relations which differ from those which would be made between independent enterprises, then any profits which would, but for those conditions, have accrued to one of the enterprises, but, by reason of those conditions, have not so accrued, may be included in the profits of that enterprise and taxed accordingly. It is understood, however, that the fact that associated enterprises have concluded arrangements, such as cost sharing arrangements or general services agreements, for or based on the allocation of executive, general administrative, technical and commercial expenses, research and development expenses and other similar expenses, is not in itself a condition as meant in the preceding sentence.

 

  1. Where a Contracting State includes in the profits of an enterprise of that State – and taxes accordingly – profits on which an enterprise of the other Contracting State has been charged to tax in that other State and the profits so included are profits which would have accrued to the enterprise of the first mentioned State if the conditions made between the two enterprises had been those which would have been made between independent enterprises, then that other State shall make an appropriate adjustment to the amount of the tax charged therein on those profits. In determining such adjustment, due regard shall be had to the other provisions of this Convention and the competent authorities of the Contracting States shall if necessary consult each other.

 

Article 10. Dividends

 

  1. Dividends paid by a company which is a resident of a Contracting State to a resident of the other Contracting State may be taxed in that other State.

 

  1. However, such dividends may also be taxed in the Contracting State of which the company paying the dividends is a resident and according to the laws of that State, but if the beneficial owner of the dividends is a resident of the other Contracting State, the tax so charged shall not exceed 15 per cent of the gross amount of the dividends.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraph 2, such dividends shall be exempt from tax in the Contracting State of which the company paying the dividends is a resident if the dividends are beneficially owned by:
  2. a) a company which is a resident of the other Contracting State and holds directly at least 5 per cent of the capital of the company paying the dividends throughout a 365 day period that includes the day of the payment of the dividend (for the purpose of computing that period, no account shall be taken of changes of ownership that would directly result from a corporate reorganisation, such as a merger or divisive reorganisation, of the company that holds the capital or that pays the dividend);
  3. b) a recognised pension fund of the other Contracting State which is generally exempt under the company tax or corporate income tax laws of that other State.

 

  1. The provisions of paragraphs 2 and 3 shall not affect the taxation of the company in respect of the profits out of which the dividends are paid.

 

  1. The term “dividends” as used in this Article means income from shares, “jouissance” shares or “jouissance” rights, mining shares, founders’ shares or other rights, not being debt-claims, participating in profits, as well as income from other corporate rights which is subjected to the same taxation treatment as income from shares by the laws of the State of which the company making the distribution is a resident.

 

  1. The provisions of paragraphs 1, 2, 3 and 8 shall not apply if the beneficial owner of the dividends, being a resident of a Contracting State, carries on business in the other Contracting State, of which the company paying the dividends is a resident, through a permanent establishment situated therein and the holding in respect of which the dividends are paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 7 shall apply.

 

  1. Where a company which is a resident of a Contracting State derives profits or income from the other Contracting State, that other State may not impose any tax on the dividends paid by the company, except insofar as such dividends are paid to a resident of that other State or insofar as the holding in respect of which the dividends are paid is effectively connected with a permanent establishment situated in that other State, nor subject the company’s undistributed profits to a tax on the company’s undistributed profits, even if the dividends paid or the undistributed profits consist wholly or partly of profits or income arising in such other State.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraphs 1, 2, and 7, dividends paid by a company which under the laws of a Contracting State is a resident of that State, to an individual who is a resident of the other Contracting State and who upon ceasing to be a resident of the first-mentioned State is taxed on the appreciation of capital for the period of residency of that individual in the first-mentioned State as meant in paragraph 5 of Article 13, may also be taxed in that State in accordance with the laws of that State, but only insofar as the assessment on the appreciation of capital is still outstanding.

 

Article 11. Interest

 

  1. Interest arising in a Contracting State and beneficially owned by a resident of the other Contracting State shall be taxable only in that other State.

 

  1. The term “interest” as used in this Article means income from debt-claims of every kind, whether or not secured by mortgage and whether or not carrying a right to participate in the debtor’s profits, and in particular, income from government securities and income from bonds or debentures, including premiums and prizes attaching to such securities, bonds or debentures. Penalty charges for late payment shall not be regarded as interest for the purpose of this Article.

 

  1. The provisions of paragraph 1 shall not apply if the beneficial owner of the interest, being a resident of a Contracting State, carries on business in the other Contracting State in which the interest arises, through a permanent establishment situated therein, and the debt-claim in respect of which the interest is paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 7 shall apply.

 

  1. Where, by reason of a special relationship between the payer and the beneficial owner or between both of them and some other person, the amount of the interest, having regard to the debt-claim for which it is paid, exceeds the amount which would have been agreed upon by the payer and the beneficial owner in the absence of such relationship, the provisions of this Article shall apply only to the last-mentioned amount. In such case, the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each Contracting State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

 

Article 12. Royalties

 

  1. Royalties arising in a Contracting State and beneficially owned by a resident of the other Contracting State shall be taxable only in that other State.

 

  1. The term “royalties” as used in this Article means payments of any kind received as a consideration for the use of, or the right to use, any copyright of literary, artistic or scientific work including cinematograph films, any patent, trade mark, design or model, plan, secret formula or process, or for information concerning industrial, commercial or scientific experience.

 

  1. The provisions of paragraph 1 shall not apply if the beneficial owner of the royalties, being a resident of a Contracting State, carries on business in the other Contracting State in which the royalties arise, through a permanent establishment situated therein and the right or property in respect of which the royalties are paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 7 shall apply.

 

  1. Where, by reason of a special relationship between the payer and the beneficial owner or between both of them and some other person, the amount of the royalties, having regard to the use, right or information for which they are paid, exceeds the amount which would have been agreed upon by the payer and the beneficial owner in the absence of such relationship, the provisions of this Article shall apply only to the last-mentioned amount. In such case, the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each Contracting State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

 

Article 13. Capital gains

 

  1. Gains derived by a resident of a Contracting State from the alienation of immovable property referred to in Article 6 and situated in the other Contracting State may be taxed in that other State.

 

  1. Gains from the alienation of movable property forming part of the business property of a permanent establishment which an enterprise of a Contracting State has in the other Contracting State, including such gains from the alienation of such a permanent establishment (alone or with the whole enterprise), may be taxed in that other State.

 

  1. Gains from the alienation of ships or aircraft operated in international traffic, or movable property pertaining to the operation of such ships or aircraft, shall be taxable only in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.

 

  1. Gains derived by a resident of a Contracting State from the alienation of shares in a company or comparable interests deriving more than 50 per cent of their value directly or indirectly from immovable property situated in the other Contracting State, may be taxed in that other State. However, this paragraph shall not apply to gains derived from alienation of shares or comparable interests:

         (i)      listed on a recognised stock exchange,

         (ii)     in the course of a corporate reorganisation such as a qualifying merger, division and similar transaction,

         (iii)     where the immovable property from which the shares derived their value is immovable property in which the business is carried on,

         (iv)     when the alienator owns, directly or indirectly, either alone or with related persons 25 per cent or less of the capital or other comparable interests prior to the first alienation of shares,

         (v)     when the alienator is a recognised pension fund of the first-mentioned State.

 

  1. Where an individual has been a resident of a Contracting State and has become a resident of the other Contracting State, paragraph 6 shall not prevent the first-mentioned State from taxing under its domestic law the capital appreciation of shares, profit sharing certificates, call options and usufruct on shares and profit sharing certificates, in and debt-claims on a company for the period of residency of that individual in the first-mentioned State. In such case, the appreciation of capital by reference to which the amount was taxed in the first-mentioned State shall not be included in the determination of the subsequent appreciation of capital by the other State.

 

  1. Gains from the alienation of any property other than that referred to in paragraphs 1, 2, 3, 4 and 5, shall be taxable only in the Contracting State of which the alienator is a resident.

 

Article 14. Income from employment

 

  1. Subject to the provisions of Articles 15, 16 and 17, salaries, wages and other similar remuneration derived by a resident of a Contracting State in respect of an employment shall be taxable only in that State unless the employment is exercised in the other Contracting State. If the employment is so exercised, such remuneration as is derived therefrom may be taxed in that other State.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraph 1, remuneration derived by a resident of a Contracting State in respect of an employment exercised in the other Contracting State shall be taxable only in the first-mentioned State if:
  2. a) the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 183 days in any twelve month period commencing or ending in the fiscal year concerned; and
  3. b) the remuneration is paid by, or on behalf of, an employer who is not a resident of the other State; and
  4. c) the remuneration is not borne by a permanent establishment which the employer has in the other State.

 

  1. Notwithstanding the preceding provisions of this Article, remuneration derived in respect of an employment exercised aboard a ship or aircraft operated in international traffic shall be taxable only in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.

 

Article 15. Directors’ fees

 

  1. Directors’ fees and other remuneration derived by a resident of a Contracting State in his capacity as a member of the board of directors of a company which is a resident of the other Contracting State may be taxed in that other State.

 

  1. Where a company is a resident of the Netherlands, the term “member of the board of directors” includes both a “bestuurder” and a “commissaris”. The terms “bestuurder” and “commissaris” mean respectively persons who are charged with the general management of the company and persons who are charged with the supervision thereof.

 

Article 16. Pensions, annuities and social security payments

 

  1. Subject to the provisions of paragraph 2 of Article 17, pensions and other similar remuneration, as well as annuities, derived by a resident of a Contracting State shall be taxable only in that State. Any pension and other payment under the provisions of a social security system of a Contracting State (social security pension) to a resident of the other Contracting State shall be taxable only in that other State.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraph 1, pensions or other similar remuneration, as well as annuities or social security pensions, arising in a Contracting State may also be taxed in that State, in accordance with the laws of that State, if the aggregate gross amount of the pensions and other similar remuneration, annuities and social security pensions, including pensions and other similar remuneration referred to in paragraph 2 of Article 17, exceeds in the fiscal year concerned the sum of 15,000 Euro.

 

  1. The term “annuity” means a stated sum payable periodically at stated times during life or during a specified or ascertainable period of time under an obligation to make the payments in return for adequate and full consideration in money or money’s worth.

 

  1. A pension or other similar remuneration or annuity shall be deemed to arise in a Contracting State insofar as the contributions or payments associated with that pension or similar remuneration or annuity, or the entitlements received from them, qualified for tax relief in that State. The transfer of a pension, other similar remuneration or annuity from a pension fund or an insurance company in one of the Contracting States to a pension fund or an insurance company in another State shall not restrict in any way the taxing rights of the first-mentioned State under this Article.

 

  1. The provisions of this Article shall also apply in case a lump sum payment is made in lieu of a pension or other similar remuneration or annuity.

 

Article 17. Government service

 

1.

  1. a) Salaries, wages and other similar remuneration paid by a Contracting State or a political subdivision or a local authority thereof to an individual in respect of services rendered to that State or subdivision or authority may be taxed in that State;
  2. b) However, such salaries, wages and other similar remuneration shall be taxable only in the other Contracting State if the services are rendered in that State and the individual is a resident of that State who:

                  (i)      is a national of that State; or

                  (ii)     did not become a resident of that State solely for the purpose of rendering the services.

 

2.

  1. a) Notwithstanding the provisions of paragraph 1, pensions and other similar remuneration paid by, or out of funds created by, a Contracting State or a political subdivision or a local authority thereof to an individual in respect of services rendered to that State or subdivision or authority may be taxed in that State.
  2. b) However, such pensions and other similar remuneration shall be taxable only in the other Contracting State if the individual is a resident of, and a national of, that State.

 

  1. The provisions of Articles 14, 15 and 16, shall apply to salaries, wages, pensions, and other similar remuneration in respect of services rendered in connection with a business carried on by a Contracting State or a political subdivision or a local authority thereof.

 

Article 18. Students

 

Payments which a student or business apprentice who is or was immediately before visiting a Contracting State a resident of the other Contracting State and who is present in the first-mentioned State solely for the purpose of his education or training receives for the purpose of his maintenance, education or training shall not be taxed in that State, provided that such payments arise from sources outside that State.

 

Article 19. Offshore activities

 

  1. The provisions of this Article shall apply notwithstanding any other provision of this Convention.

 

  1. An enterprise of a Contracting State which carries on offshore activities in the other Contracting State shall, subject to paragraph 4, be deemed in relation to those activities to be carrying on business in that other State through a permanent establishment situated therein.

 

  1. In this Article the term “offshore activities” means activities which are carried on offshore in a Contracting State in connection with the exploration or exploitation of the seabed and its subsoil and their natural resources situated in that State, including activities in connection with production of energy from the water, currents, sun and winds.

 

  1. The provisions of paragraph 2 shall not apply where the activities are carried on for a period not exceeding 30 days in the aggregate in any twelve month period commencing or ending in the fiscal year concerned. However, for the purposes of this paragraph:

         (a)     activities carried on by an enterprise that is associated with an enterprise of a Contracting State shall be regarded as carried on by the last mentioned enterprise if the activities carried on by both enterprises are substantially the same;

         (b)     two enterprises shall be deemed to be associated if:

                  (i)      an enterprise participates, directly or indirectly, in the management or control of the other enterprise or holds directly or indirectly at least 30 per cent of the capital of the other enterprise, or

                  (ii)     the same person or persons participate directly or indirectly in the management or control of both enterprises or hold directly or indirectly at least 30 per cent of the capital of both enterprises.

 

  1. For the purposes of paragraph 3 of this Article the term “offshore activities” shall be deemed not to include:
  2. a) one or any combination of the activities mentioned in paragraph 5 of Article 5;
  3. b) towing or anchor handling by ships primarily designed for that purpose and any other activities performed by such ships;
  4. c) the transport of supplies or personnel by ships or aircraft in international traffic.

 

6.

  1. a) Subject to sub-paragraphs b) and c) of this paragraph, salaries, wages and similar remuneration derived by a resident of a Contracting State in respect of an employment connected with offshore activities in the other Contracting State may, to the extent that the duties are performed offshore in that other State, be taxed in that other State.
  2. b) However, such remuneration shall be taxable only in the first-mentioned State if:

                  (i)      the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 30 days in any twelve-month period commencing or ending in the fiscal year concerned, and

                  (ii)     the remuneration is paid by, or on behalf of, an employer who is not a resident of the other State, and

                  (iii)     the remuneration is not borne by a permanent establishment which the employer has in the other State.

  1. c) Salaries, wages and similar remuneration in respect of an employment exercised aboard a ship or aircraft operated by an enterprise of a Contracting State engaged in the transportation in international traffic of supplies or personnel to a location where offshore activities are being carried on, or in respect of any employment exercised aboard a tugboat or anchor handling vessel operated by an enterprise of a Contracting State in connection with such activities, shall be taxable only in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.

 

  1. Gains derived by a resident of a Contracting State from the alienation of:
  2. a) exploration or exploitation rights; or
  3. b) technical equipment or other similar property situated in the other Contracting State and directly used in offshore activities, as defined in paragraph 3, carried on in that other State; or
  4. c) shares deriving more than 50 per cent of their value directly or indirectly from such rights or such property, or from such rights and such property taken together,

 

may be taxed in that other State.

 

In this paragraph “exploration or exploitation rights” means rights to assets to be produced by the exploration or exploitation of the natural resources, including the exploration or exploitation of the seabed or its subsoil of that Contracting State, rights in connection with production of energy from the water, currents, sun and winds, as well as rights to interests in or to the benefit of such assets.

 

Article 20. Other income

 

  1. Items of income of a resident of a Contracting State, wherever arising, not dealt with in the foregoing Articles of this Convention shall be taxable only in that State.

 

  1. The provisions of paragraph 1 shall not apply to income, other than income from immovable property as defined in paragraph 2 of Article 6, if the recipient of such income, being a resident of a Contracting State, carries on business in the other Contracting State through a permanent establishment situated therein and the right or property in respect of which the income is paid is effectively connected with such permanent establishment. In such case the provisions of Article 7 shall apply.

 

 

CHAPTER IV. ELIMINATION OF DOUBLE TAXATION

 

Article 21. Elimination of double taxation

 

  1. The Netherlands may include in the basis upon which taxes are imposed on its residents, the items of income which according to the provisions of this Convention may be taxed or shall be taxable only in Cyprus. In such cases, however, the Netherlands shall allow a reduction of or deduction from the Netherlands tax according to the provisions of paragraphs 2, 3, 4, 5 and 6.

 

  1. Where a resident of the Netherlands derives items of income which according to paragraphs 1, 3 and 4 of Article 6, paragraph 1 of Article 7, paragraph 1 of Article 8, paragraph 6 of Article 10, paragraph 3 of Article 11, paragraph 3 of Article 12, paragraphs 1, 2 and 3 of Article 13, paragraph 1 of Article 14, paragraph 2 of Article 16, paragraph 1 (subparagraph a) and paragraph 2 (subparagraph a) of Article 17, paragraph 6 (subparagraph a) of Article 19 and paragraph 2 of Article 20 of this Convention may be taxed or shall be taxable only in Cyprus and are included in the basis referred to in paragraph 1, the Netherlands shall exempt such items of income by allowing a reduction of its tax. This reduction shall be computed in conformity with the provisions of the Netherlands law for the elimination of double taxation. For that purpose the said items of income shall be deemed to be included in the amount of the items of income which are exempt from Netherlands tax under those provisions.

 

  1. The provisions of paragraph 2 shall not apply to items of income derived by a resident of the Netherlands where Cyprus applies the provisions of this Convention to exempt such items of income from tax.

 

  1. Where a resident of the Netherlands derives items of income which according to paragraphs 2 and 8 of Article 10, paragraphs 4 and 5 of Article 13, paragraph 3 of Article 14, paragraph 1 of Article 15, paragraph 5 of Article 16, and paragraph 6 (subparagraph c) and paragraph 7 (subparagraphs a, b and c) of Article 19 of this Convention may be taxed or shall be taxable only in Cyprus, the Netherlands shall allow a deduction from its tax to the extent that these items are included in the basis referred to in paragraph 1. The amount of this deduction shall be equal to the tax paid in Cyprus on these items of income, but shall, in case the provisions of the Netherlands law for the elimination of double taxation provide so, not exceed the amount of the deduction which would be allowed if the items of income so included were the sole items for which the Netherlands gives a reduction under the provisions of the Netherlands law for the elimination of double taxation.

 

  1. The provisions of paragraph 4 shall not restrict allowance now or hereafter accorded by the provisions of the Netherlands law for the elimination of double taxation, but only as far as the calculation of the amount of the reduction of Netherlands tax is concerned with respect to the aggregation of income from more than one jurisdiction and the carry forward of the tax paid in Cyprus on the said items of income to subsequent years.

 

  1. Notwithstanding the provisions of paragraph 2, the Netherlands shall allow a deduction from the Netherlands tax for the tax paid in Cyprus on items of income which according to paragraph 1 of Article 7, paragraph 6 of Article 10, paragraph 3 of Article 11, paragraph 3 of Article 12 and paragraph 2 of Article 20 of this Convention may be taxed in Cyprus to the extent that these items are included in the basis referred to in paragraph 1, insofar as the Netherlands under the provisions of the Netherlands law for the avoidance of double taxation allows a deduction from the Netherlands tax of the tax levied in another country on such items of income.

 

For the computation of this reduction the provisions of paragraph 4 of this Article shall apply accordingly.

 

  1. In Cyprus, double taxation shall be eliminated as follows:

 

Subject to the provisions of Cyprus Tax Law regarding credit for foreign tax, there shall be allowed as a credit against Cyprus tax payable in respect of any item of income derived from the Netherlands, the Netherlands tax paid under the laws of the Netherlands and in accordance with this Convention. The credit shall not, however, exceed that part of the Cyprus tax, as computed before the credit is given, which is appropriate to such items of income.

 

CHAPTER V. SPECIAL PROVISIONS

 

Article 22. Non-discrimination

 

  1. Nationals of a Contracting State shall not be subjected in the other Contracting State to any taxation or any requirement connected therewith, which is other or more burdensome than the taxation and connected requirements to which nationals of that other State in the same circumstances, in particular with respect to residence, are or may be subjected. This provision shall, notwithstanding the provisions of Article 1, also apply to persons who are not residents of one or both of the Contracting States.

 

  1. Stateless persons who are residents of a Contracting State shall not be subjected in either Contracting State to any taxation or any requirement connected therewith, which is other or more burdensome than the taxation and connected requirements to which nationals of the State concerned in the same circumstances, in particular with respect to residence, are or may be subjected.

 

  1. The taxation on a permanent establishment which an enterprise of a Contracting State has in the other Contracting State shall not be less favourably levied in that other State than the taxation levied on enterprises of that other State carrying on the same activities. This provision shall not be construed as obliging a Contracting State to grant to residents of the other Contracting State any personal allowances, reliefs and reductions for taxation purposes on account of civil status or family responsibilities which it grants to its own residents.

 

  1. Except where the provisions of paragraph 1 of Article 9, paragraph 4 of Article 11, or paragraph 4 of Article 12 apply, interest, royalties and other disbursements paid by an enterprise of a Contracting State to a resident of the other Contracting State shall, for the purpose of determining the taxable profits of such enterprise, be deductible under the same conditions as if they had been paid to a resident of the first-mentioned State.

 

  1. Enterprises of a Contracting State, the capital of which is wholly or partly owned or controlled, directly or indirectly, by one or more residents of the other Contracting State, shall not be subjected in the first-mentioned State to any taxation or any requirement connected therewith which is other or more burdensome than the taxation and connected requirements to which other similar enterprises of the first-mentioned State are or may be subjected.

 

  1. The provisions of this Article shall, notwithstanding the provisions of Article 2, apply to taxes of every kind and description.

 

Article 23. Mutual agreement procedure

 

  1. Where a person considers that the actions of one or both of the Contracting States result or will result for him in taxation not in accordance with the provisions of this Convention, he may, irrespective of the remedies provided by the domestic law of those States, present his case to the competent authority of either Contracting State. The case must be presented within three years from the first notification of the action resulting in taxation not in accordance with the provisions of the Convention.

 

  1. The competent authority shall endeavour, if the objection appears to it to be justified and if it is not itself able to arrive at a satisfactory solution, to resolve the case by mutual agreement with the competent authority of the other Contracting State, with a view to the avoidance of taxation which is not in accordance with the Convention. Any agreement reached shall be implemented notwithstanding any time limits in the domestic law of the Contracting States.

 

  1. The competent authorities of the Contracting States shall endeavour to resolve by mutual agreement any difficulties or doubts arising as to the interpretation or application of the Convention. They may also consult together for the elimination of double taxation in cases not provided for in the Convention.

 

  1. The competent authorities of the Contracting States may communicate with each other directly, including through a joint commission consisting of themselves or their representatives, for the purpose of reaching an agreement in the sense of the preceding paragraphs.

 

  1. Where,
  2. a) under paragraph 1, a person has presented a case to the competent authority of a Contracting State on the basis that the actions of one or both of the Contracting States have resulted for that person in taxation not in accordance with the provisions of this Convention; and
  3. b) the competent authorities are unable to reach an agreement to resolve that case pursuant to paragraph 2 within two years from the date when all the information required by the competent authorities in order to address the case has been provided to both competent authorities;

 

any unresolved issue arising from the case shall be submitted to arbitration if the person so requests in writing. These unresolved issues shall not, however, be submitted to arbitration if a decision on these issues has already been rendered by a court or administrative tribunal of either State. Unless a person directly affected by the case does not accept the mutual agreement that implements the arbitration decision, that decision shall be binding on both Contracting States and shall be implemented notwithstanding any time limits in the domestic laws of these States.

 

Article 24. Exchange of information

 

  1. The competent authorities of the Contracting States shall exchange such information as is foreseeably relevant for carrying out the provisions of this Convention or to the administration or enforcement of the domestic laws concerning taxes of every kind and description imposed on behalf of the Contracting States, or of their political subdivisions or local authorities, insofar as the taxation thereunder is not contrary to the Convention. The exchange of information is not restricted by Articles 1 and 2.

 

  1. Any information received under paragraph 1 by a Contracting State shall be treated as secret in the same manner as information obtained under the domestic laws of that State and shall be disclosed only to persons or authorities (including courts and administrative bodies) concerned with the assessment or collection of, the enforcement or prosecution in respect of, the determination of appeals in relation to the taxes referred to in paragraph 1, or the oversight of the above. Such persons or authorities shall use the information only for such purposes. They may disclose the information in public court proceedings or in judicial decisions. Notwithstanding the foregoing, information received by a Contracting State may be used for other purposes when such information may be used for such other purposes under the laws of both States and the competent authority of the supplying State authorises such use.

 

  1. The Contracting States may supply to an arbitration board, established under the provisions of paragraph 5 of Article 23, such information as is necessary for carrying out the arbitration procedure. The members of the arbitration board shall be subject to the limitations on disclosure described in paragraph 2 of this Article with respect to any information so released.

 

  1. In no case shall the provisions of paragraphs 1 and 2 be construed so as to impose on a Contracting State the obligation:
  2. a) to carry out administrative measures at variance with the laws and administrative practice of that or of the other Contracting State;
  3. b) to supply information which is not obtainable under the laws or in the normal course of the administration of that or of the other Contracting State;
  4. c) to supply information which would disclose any trade, business, industrial, commercial, or professional secret or trade process, or information, the disclosure of which would be contrary to public policy (ordre public).

 

  1. If information is requested by a Contracting State in accordance with this Article, the other Contracting State shall use its information gathering measures to obtain the requested information, even though that other State may not need such information for its own tax purposes. The obligation contained in the preceding sentence is subject to the limitations of paragraph 4 but in no case shall such limitations be construed to permit a Contracting State to decline to supply information solely because it has no domestic interest in such information.

 

  1. In no case shall the provisions of paragraph 4 be construed to permit a Contracting State to decline to supply information solely because the information is held by a bank, other financial institution, nominee or person acting in an agency or a fiduciary capacity or because it relates to ownership interests in a person.

 

Article 25. Members of diplomatic missions and consular posts

 

  1. Nothing in this Convention shall affect the fiscal privileges of members of diplomatic missions or consular posts under the general rules of international law or under the provisions of special agreements.

 

  1. For the purposes of the Convention, an individual who is a member of a diplomatic mission or consular post of a Contracting State in the other Contracting State or in a third State and who is a national of the sending State shall be deemed to be a resident of the sending State if he is subjected therein to the same obligations in respect of taxes on income as are residents of the sending State.

 

Article 26. Entitlement to benefits

 

  1. Notwithstanding the other provisions of this Convention, a benefit under this Convention shall not be granted in respect of an item of income if it is reasonable to conclude, having regard to all relevant facts and circumstances, that obtaining that benefit was one of the principal purposes of any arrangement or transaction that resulted directly or indirectly in that benefit, unless it is established that granting that benefit in these circumstances would be in accordance with the object and purpose of the relevant provisions of this Convention. The competent authority of a Contracting State shall consult with the competent authority of the other Contracting State before denying a benefit under this paragraph.

 

  1. Where a benefit under this Convention is denied to a person under paragraph 1, the competent authority of the Contracting State that would otherwise have granted this benefit shall nevertheless treat that person as being entitled to this benefit, or to different benefits with respect to a specific item of income, if such competent authority, upon request from that person and after consideration of the relevant facts and circumstances, determines that such benefits would have been granted in the absence of the transaction or arrangement referred to in paragraph 1. The competent authority of the Contracting State to which the request has been made shall consult with the competent authority of the other State before rejecting a request made under this paragraph by a resident of that other State.

 

Article 27. Territorial extension

 

  1. This Convention may be extended, either in its entirety or with any necessary modifications, to Aruba, Curaçao or Sint Maarten if the part of the Kingdom of the Netherlands concerned imposes taxes substantially similar in character to those to which the Convention applies. Any such extension shall take effect from such date and shall be subject to such modifications and conditions, including conditions as to termination, as may be specified and agreed in notes to be exchanged through diplomatic channels.

 

  1. Unless otherwise agreed the termination of the Convention shall not also terminate the Convention for any part of the Kingdom of the Netherlands to which it has been extended under this Article.

 

CHAPTER VI. FINAL PROVISIONS

 

Article 28. Entry into force

 

  1. This Convention shall enter into force on the last day of the month following the month in which the later of the notifications has been received in which the respective Contracting States have notified each other in writing that the formalities constitutionally required in their respective States have been complied with, and its provisions shall have effect for taxable years and periods beginning, and taxable events occurring, on or after the first day of January in the calendar year following that in which the Convention has entered into force.

 

  1. Notwithstanding the provision of paragraph 1, the provisions of paragraph 5 of Article 23 and paragraph 3 of Article 24 shall only apply if, after the signing of this Convention, Cyprus has introduced the necessary legal basis in relation to these provisions. In such case, Cyprus shall inform the Netherlands through diplomatic channels of the date from which Cyprus has introduced the necessary legal basis.

 

Article 29. Termination

 

  1. This Convention shall remain in force until terminated by one of the Contracting States. Either State may terminate the Convention, through diplomatic channels, by giving written notice of termination. In such event the Convention shall cease to have effect for taxable years and periods beginning, and taxable events occurring, after the end of the calendar year in which the notice of termination has been given if the notice has been given in the first six months of a calendar year. If a notice has been given in the last six months of a calendar year, the Convention shall cease to have effect for taxable years and periods beginning, and taxable events occurring, after the end of the calendar year following the calendar year in which the notice of the termination has been given.

 

  1. Notice of termination shall be regarded as having been given by a Contracting State on the date of receipt of such notice by the other Contracting State.

 

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto, have signed this Convention.

 

DONE at Nicosia on this 1st day of June 2021, in duplicate, in the Greek, Dutch and English languages, all texts being equally authentic. In case of divergence of interpretation the English text shall prevail.

 

For the Government of the Kingdom of the Netherlands,

 

ELKE MERKS-SCHAAPVELD

 

For the Government of the Republic of Cyprus,

 

CONSTANTINOS PETRIDES

 

 

 

Protocol to the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Cyprus for the elimination of double taxation with respect to taxes on income and the prevention of tax evasion and avoidance

 

With respect to the Convention concluded between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Cyprus for the elimination of double taxation with respect to taxes on income and the prevention of tax evasion and avoidance, the undersigned have agreed that the following provisions shall form an integral part of the Convention.

 

  1. Ad paragraph 3 of Article 4

 

It is understood that in determining the residence of a person, the competent authorities shall have regard to:

  1. i) were the senior management of the person is carried on;
  2. ii) where the meetings of the board of directors or equivalent body are held;

         iii)      where the chief executive officer and other senior executives usually carry on their activities;

  1. iv) where the person’s headquarters are located;
  2. v) which State’s laws govern the legal status of the person;
  3. vi) where the person’s accounting records are kept;

         vii)     the extent and nature of the economic nexus of the person to each State; and

         viii)    whether determining that the person is a resident of one of the Contracting States but not of the other State for the purposes of the Convention would carry the risk of an improper use of the Convention or inappropriate application of the domestic law of either State.

 

Although this list of factors is not exhaustive, in the absence of the factor viii) above the list of factors at i) to vii) above will generally be determinative.

 

The competent authorities shall apply the provisions of paragraph 3 of Article 4 on a case by case basis. As the facts upon which an agreement is reached may change over time the competent authorities may revisit agreements, particularly where there are significant changes in the relevant facts.

 

  1. Ad Articles 10 and 20
  2. Notwithstanding paragraphs 1 and 2 of Article 10 and Article 20, the Netherlands shall not be prevented from applying its domestic tax law with respect to an interest in a tax exempt Investment Institution (“vrijgestelde beleggingsinstelling”) pursuant to the company tax of the Netherlands. However, if the beneficial owner is a resident of Cyprus, the tax so charged shall not exceed 15 per cent of the gross amount of the income so taxed.
  3. The provisions of paragraphs 2 and 3 of Article 10 shall not affect the right of the Caribbean part of the Netherlands to impose revenue tax in accordance with its laws.
  4. The provisions of paragraph 3 of Article 10 shall not apply to dividends paid by or to a person who is a Fiscal Investment Institution (Fiscale Beleggingsinstelling) for the purposes of the company tax of the Netherlands.

 

  1. Ad Articles 10 and 13

 

It is understood that an item of income received in connection with the (partial) liquidation of a company or a purchase of own shares by a company is treated as income from shares and not as capital gains.

 

  1. Ad Article 24
  2. The provisions of Article 24 shall apply accordingly to information that is relevant for carrying out the income-related regulations under the laws of the Netherlands by the tax authorities of the Netherlands.
  3. Any information received under paragraph 1 of this Article in connection with Article 24 of this Convention, shall be used only for the purpose of the determination and levying of the contributions and the determination and granting of the benefits under the income related regulations as meant in paragraph 1 of this Article.
  4. The competent authorities of the Contracting States may by mutual agreement settle the mode of application of Article 24 of this Convention.

 

  1. EU Law on administrative assistance

 

It is understood that the Contracting States shall apply all measures for administrative assistance, available under the law of the European Union.

 

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto, have signed this Protocol.

 

DONE at Nicosia on this 1st day of June 2021, in duplicate, in the Greek, Dutch and English languages, all texts being equally authentic. In case of divergence of interpretation the English text shall prevail.

 

For the Government of the Kingdom of the Netherlands,

 

ELKE MERKS-SCHAAPVELD

 

For the Government of the Republic of Cyprus,

 

CONSTANTINOS PETRIDES

 

(authentiek: nl)

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Contact opnemen met Innovative Tax

Bezoekadres

Contact

Volg ons